Op vrijdag 29 januari heeft Tony Blair zich voor een enquêtecommissie moeten verantwoorden voor de besluitvorming rond de deelname van zijn land aan de oorlog tegen Irak. Daags ervoor, een paar kilometer verderop, werd de in Londen de conferentie gehouden over de toekomst van Afghanistan. De twee oorlogen uit het Bushtijdperk blijven zwaar wegen op het gemoed van de Europeanen. De oorlog in Irak omdat de regeringsleiders de opinie hebben gemanipuleerd om draagvlak te creëren voor het omverwerpen van Saddam Hussein; de oorlog in Afghanistan omdat, bij gebrek aan resultaten ter plaatse en een duidelijke strategie, veel burgers het gevoel hebben dat hun regeringen niet de volledige waarheid vertellen over het inzetten van hun soldaten.

Een van de belangrijkste Amerikaanse neoconservatieve denkers is Léo Strauss, een van oorsprong Duitse filosoof die in 1973 is overleden. Uit een controversiële uitleg van het gedachtegoed van deze filosoof, hebben de oorlogsarchitecten van Bush het idee overgehouden dat het ”nodig [is] te liegen tegen het volk over de aard van de politieke werkelijkheid. Maar de elite erkent die werkelijkheid en houdt die voor zichzelf”, verklaarde de Amerikaanse commentator William Pfaff in 2003. In democratische samenlevingen bestaat deze neiging niet alleen bij ideologen. Omdat de Europese regeringsleiders gedwongen worden om rekenschap af te leggen van soms ingewikkelde beslissingen ten overstaan van steeds heviger wordende reacties van de publieke opinie, zouden ze kunnen bezwijken voor deze elitaire houding. Dit was het geval met Irak, maar het zou niet het geval moeten zijn met de besluitvorming rond de Europese Unie. De manier waarop het Verdrag van Lissabon in werking is getreden is niet geheel democratisch te noemen. De toepassing ervan, zoals Le Monde vorige week schreef, geeft aanleiding tot machtsspelletjes die onbegrijpelijk zijn voor de burgers. Dit heeft een bepaalde onmacht van de EU ten gevolg, die het Europese elitarisme alleen maar minder acceptabel maakt.

Eric Maurice