'Grexit', deze samentrekking van de woorden Griekenland en exit, oftewel het vertrek uit de eurozone, werd begin dit jaar als een zwaard van Damocles opgehangen boven de hoofden van de Grieken die op dat moment onderhandelden over het kwijtschelden van een deel van hun schuld door de banken. Net als in het najaar, toen premier Giorgos Papandreou het reddingsplan met een riskant referendum aan zijn land had willen voorleggen, lieten de Europese markten en partners op die manier weten dat als Athene zijn ‘goede wil’ niet zou tonen, het probleem zou worden teruggebracht tot die ene, eenvoudige vraag: Willen jullie wel of niet in de euro blijven?

Nu, na de verkiezingen die de kracht van de partijen aantoonden die zich verzetten tegen de door de EU en het IMF vereiste bezuinigingsbeleid, en de teloorgang van de grote traditionele politieke partijen, wordt een Grexit meer dan een loze bedreiging, het wordt een reële mogelijkheid. En de nieuwe verkiezingen die op 17 juni gehouden worden, dreigen de situatie alleen nog maar te verergeren.

Is een Grexit dan misschien de oplossing? Economen en politici wegen de voors en tegens tegen elkaar af, zonder dat ze er uiteindelijk achterkomen wat het ergst zou zijn. Op dit moment lijkt het debatvolgens Il Sole-24 Ore meer op bluf. Maar wel een gevaarlijke bluf.

De Europeanen staan voor een onmogelijke keuze. Griekenland uit de Eurozone laten stappen, wat in geen enkel verdrag voorzien is, betekent het risico nemen dat het vertrouwen in het hele Europese economische systeem verloren gaat, evenals de geloofwaardigheid van de EU als politiek project en als wereldmacht. Griekenland weer overeind helpen betekent het voortzetten van een beleid dat de Griekse maatschappij ontzet, en de democratie verzwakt in een land waarvan men zo graag zegt dat het er de wieg van is. Bovendien zullen er miljarden euro's tevergeefs worden uitgegeven aangezien de Griekse staat momenteel slechts fictie is.

En dat allemaal voor een land dat slechts tussen de 2 en 3 procent van het Europese bbp vertegenwoordigt. Dat de EU zich met een dergelijke impasse geconfronteerd ziet, is omdat de EU zelf in de tang zit: de EU is economisch en politiek teveel geïntegreerd om niet in gevaar gebracht te worden door de Griekse crisis, en niet geïntegreerd genoeg om over de middelen te beschikken deze crisis het hoofd te bieden. Zonder eenheidsmunt en zonder binnenlandse markt, had de EU de Grieken gemakkelijker failliet kunnen laten gaan en ze hun valuta laten devalueren. Met scherper toezicht op het begrotingsbeleid en de middelen om Griekenland staatshervormingen te laten doorvoeren, vooral op het gebied van belastinginning en corruptiebestrijding, zou Giekenland – misschien – uit de crisis kunnen komen.

Maar hoe kun je aan de inwoners van Europa uitleggen dat de oplossing van de crisis in Europa bij meer Europa ligt? Hiermee betalen de Europese leiders het gelag voor twee decennia versnelde Europese integratie, van de Europese Akte in 1986 tot het Verdrag van Lissabon in 2009, geplaveid met welvaartsbeloftes maar verstoken van antwoorden op de vraag hoe de democratie in de Unie georganiseerd moet worden.

Nu de schuldencrisis zich bij de institutionele vermoeidheid voegt, lijkt Europa als de Minotaurus in een Labyrint te zitten, op zoek naar de uitgang. Zei u 'Grexit'?