Een paar dagen geleden werd er een bijzonder medailleoverzicht gepubliceerd op internet. Het betrof een vernieuwde versie van het medailleoverzicht van de Olympische Spelen in Londen. In deze versie, een top vier van landen met de meeste gouden medailles, staat de EU als één land vermeld. Op het moment waarop wij dit artikel schrijven, vertegenwoordigen de landen van de EU in totaal bijna twee keer zoveel gouden medailles als de Verenigde Staten en China samen.

Je zou erover kunnen vallen dat de Britten, kampioen euroscepsis, bijna een derde van de Europese medailles voor hun rekening nemen, maar dat doet niets af aan het feit dat dit resultaat “helemaal niet slecht is voor een continent in verval”, zoals Die Welt schrijft. De conservatieve Duitse krant verheugt zich over het feit dat “zowel voor de Olympische disciplines als voor het voetbal […] het oude continent de maatstaf blijft”. Een schrale troost op het moment waarop Europa aan zichzelf twijfelt en de dagen van de euro meer dan ooit geteld lijken te zijn.

In het licht van het succes van de Europese teams, kunnen sommigen het dromen niet laten: stel je voor dat de Unie zich onder één en dezelfde vlag zou presenteren, wat een sportieve supermacht zouden we dan zijn! En de Olympische wedstrijden zouden het saamhorigheidsgevoel tussen Europeanen een geweldige opkikker geven!

Maar laten we met twee benen op de grond blijven staan: Olympische Spelen met de EU als deelnemer in plaats van de zevenentwintig landen zouden veel saaier zijn. En dan hebben we nog niet eens nagedacht over de nachtmerrie die de selectie en training van de teams zou betekenen. Bovendien is het verre van zeker dat ze sterker zullen zijn slechts omdat ze de veronderstelde beste atleten van het continent zouden zijn. Dat de Europese sporters en teams zo goed presteren, komt immers voornamelijk doordat ze het voortdurend tegen elkaar opnemen op Europese kampioenschappen. En niets wijst erop dat de Europeanen hun huidige verdeeldheid en eigenbelangen naast zich neer zouden leggen omdat ze, op het gebied van sport, dezelfde kleuren dragen.

Net zomin als de deelname van bepaalde landen, zoals Wales of Engeland, aan internationale toernooien een bedreiging vormt voor de eenheid van de staat waarvan ze deel uitmaken, is de aanwezigheid van de nationale afvaardigingen van de EU-landen bij de Olympische Spelen geen desintegrerende factor voor de Europese Unie. Hoewel de sportieve competitie tussen de lidstaten keihard is, blijft zij beschaafd en – alles in aanmerking genomen – ongevaarlijk, in vergelijking met de economische concurrentie en de andere spanningen die er momenteel op het continent heersen. Zelfs de meest overtuigde federalisten zullen dat toegeven. En is het motto van de EU tenslotte niet “In verscheidenheid verenigd”?