Op milieugebied kijken we niet op van een paradox meer of minder. De meest recente is wel de VN-klimaatconferentie, die op 7 december in Doha werd afgesloten. De conferentie werd georganiseerd werd door Qatar, het land met ‘s werelds grootste koolstofvoetafdruk per inwoner.

De conferentie zou moeten leiden tot een nieuw akkoord over de opwarming van de aarde, waarbij nieuwe doelstellingen voor het verminderen van broeikasgassen zouden worden vastgesteld, en het Kyoto-protocol, dat op 31 december van dit jaar afloopt, tot 2015 zou worden verlengd. In de media was er nauwelijks aandacht voor de conferentie (met uitzondering van The Guardian, die er een heel katern aan wijdde) en dat was niet voor niets: de verwachtingen waren minimaal.

Het is de zoveelste teleurstelling na het mislukken van de conferentie van Kopenhagen in 2009. Die werd enthousiast begonnen, maar eindigde in een flop, wat vooral te wijten was aan het onvermogen van de Europeanen om hun mening op te leggen. Tijdens de volgende, in Cancún, speelde Europa nog nauwelijks een rol. En in 2011, in Durban, bleek Europa verdeeld, net als nu in Doha.

Deze keer vormt de kwestie over de overschrijdingen van de koolstofquota van de Centraal-Europese lidstaten van de EU (de MOE-landen) het grootste struikelblok. Ten tijde van hun toetreding kregen zij zeer genereuze koolstofdioxidequota (‘vervuilingsvergunningen’, uitgedrukt in tonnen CO2) toebedeeld. Maar na de snelle modernisering van hun industrie, beschikken ze nu over een enorm kapitaal emissierechten.

Om de CO2-markt, waarop het door de crisis steeds slechter gaat, te steunen en bedrijven ertoe aan te zetten hun uitstoot te verminderen in plaats van ze te compenseren door goedkopere quota te kopen, wil de Europese Commissie een miljard ton (van de 8,5) die tot 2020 moet worden uitgegeven, voorlopig bevriezen. “Geen sprake van dat jullie aan onze oorlogsbuit komen”, is daarop de reactie van de OEM-landen, met Polen voorop.

Een ander onderwerp van onenigheid is het bedrag aan steun dat de rijke landen aan de ontwikkelingslanden hebben toegezegd voor het verminderen van hun uitstoot. Die ontwikkelingslanden, ook getroffen door de crisis, vragen nu ook om compensatie voor de gevolgen die de klimaatverandering voor hen heeft. Maar de rijke landen houden uit angst voor eindeloos bedelen angstvallig hun hand op de knip.

Als we daaraan toevoegen dat de Verenigde Staten het Kyoto-protocol niet geratificeerd hebben, en dat sommige landen (Canada, Japan en Rusland, om er maar een paar te noemen) weigeren een nieuw klimaatverdrag te tekenen zolang China en India dat niet doen, dan begrijpen we helemaal waarom de onderhandelingen niet vooruitkomen.

Moeten we dan maar de handdoek in de ring gooien en het idee accepteren dat de gemiddelde temperatuur op aarde in 2050 met 2°C zal zijn gestegen ten opzichte van het pre-industriële tijdperk, met alle gevolgen van dien?

Zeker niet. Het terugdringen van CO2-uitstoot is de sleutel tot duurzame ontwikkeling en de technische vooruitgang (en gezondheidsverbetering) die daarmee gepaard gaat. Ervan afzien zou gelijk staan aan zelfmoord.