In zekere zin hebben we het begin en het einde van de Europese eenwording in twee dagen samengevat kunnen zien. Op 22 januari vierden Frankrijk en Duitsland de ondertekening vijftig jaar geleden van het Verdrag van het Elysée. En een dag later hield David Cameron zijn toespraak over de betrekkingen tussen Groot-Brittannië en de EU.

Het is verleidelijk om het goede Frans-Duitse duo, dat garant staat voor de Europese gedachte (en ook als zodanig werd gepresenteerd tijdens de uitreiking van de Nobelprijs voor de Vrede), te vergelijken met de slechte Britse partner, die alleen geïnteresseerd is in de voordelen van de grote interne Europese markt. Dat zou echter niet juist zijn, want in beide recente gebeurtenissen ligt tegelijkertijd de uitdaging besloten waartegenover de EU zich de komende tijd, in een realiteit die genuanceerder is dan ze lijkt, ziet geplaatst.

Duitsland en Frankrijk, die heen en weer worden geslingerd door de eurocrisis, de groeiende economische kloof tussen beide landen en de persoonlijke en politieke verschillen tussen hun regeringsleiders, hebben de vijftigste verjaardag van hun goede verstandhouding gevierd zonder duidelijke lijnen uit te zetten voor de toekomst. Angela Merkel en François Hollande hebben blijk willen geven van hun goede wil, die voor Europa van groot belang is, maar ze lijken niet meer in staat om een nieuw project te dragen zonder steun van de overige lidstaten.

De Britse premier heeft in Londen een "nieuw akoord" met de EU geëist en voor na de onderhandelingen een referendum aangekondigd over het EU-lidmaatschap van zijn land. Door de mogelijkheid om uit de Unie te stappen open te houden, chanteert David Cameron zijn Europese partners, maar zet hij ook zichzelf met de rug tegen de muur. Hij sleept de EU mee in een bestaanscrisis, maar biedt haar tegelijk de kans om duidelijk aan te geven wat ze nu eigenlijk wil. Het lijkt misschien paradoxaal dat het uitgerekend een Engelsman is die de lijnen van het Europese project opnieuw uitzet, maar vaak weten alleen outsiders taboes te doorbreken.

Natuurlijk, de Brise premier wil pas onderhandelen na 2015, als hij is herkozen. Het kan dus best zijn dat het er nooit van komt. De druk die eurosceptici uitoefenen zal in 2015 echter nog niet zijn verdwenen en niets wijst erop dat de Labourpartij, mocht die opnieuw aan de macht komen, meegaander zal zijn. Het zou dus een misrekening zijn om de tijd zijn werk te laten doen in de hoop op die manier te ontkomen aan de vragen die David Cameron heeft opgeworpen.

Door de eurocrisis is het volgende probleem ontstaan: om de eenheidsmunt te redden en de Europese economie te beschermen, moet de EU verder politiek integreren. Dat geldt echter voor slechts 17 van de 27 lidtstaten, namelijk de eurolanden. In zekere zin leidt de (mini)ontwikkeling in de richting van een federaal Europa dus tot een Europa van verschillende snelheden. Een tegenstrijdigheid waarvoor niemand een oplossing heeft.

David Cameron stelt voor om te komen tot "een structuur die aansluit bij de diversiteit van de lidstaten [...] waarvan sommige veel meer economische en politieke integratie overwegen". Een federatie of een Europa à la carte? Die keus bestaat al zeker twintig jaar. Het wordt hoog tijd om de knoop eens door te hakken.

Als het Frans-Duitse duo weer betekenis wil geven aan de Europese politiek en de drijvende kracht erachter wil zijn, dan moet het op Camerons uitdaging ingaan. Dat kan en mag het echter niet alleen doen. De as Parijs-Berlijn mag dan onontbeerlijk zijn, het is niet langer genoeg. Andere lidstaten als Italië, Spanje en Polen moeten erbij worden betrokken, en die cirkel moet zo groot mogelijk worden gemaakt. Het gaat er nu om de verschillen te overbruggen tussen enerzijds de landen die behoren tot de grondleggers van Europa en anderzijds landen die nog niet zo lang geleden zijn toegetreden, tussen de eurolanden en de overige lidstaten, tussen Oost en West en Noord en Zuid.

Zelfs als het Britse referendum er nooit komt, is nu de kwestie van het Britse lidmaatschap aan de orde gesteld. Het zou dodelijk zijn om te doen alsof die vraag niet op tafel ligt bij de Europese Raad. De Engelsen, die erop staan dat de interne markt de "kern" vormt van hun betrekkingen met de EU, moeten aangeven of ze, ondanks de nadelen die door hun premier in zijn toespraak zijn genoemd, werkelijk bereid zijn om uit de Unie te stappen. Maar ook hun partners zullen duidelijk moeten aangeven wat ze ervoor over hebben om Groot-Brittannië binnenboord te houden, of anders hoe ze zich Europa als wereldmacht voorstellen zonder dat land.

Door de huidige crisis waren we al gedwongen om na te denken over de veranderingen op het gebied van politieke organisatie, historische betekenis en economische actie en dat wordt versneld door de Britse uitdaging. Daar komt nu de uiterst belangrijke kwestie bij van een eventueel vertrek van een eerste lidstaat. Het verleden plechtig herdenken in Oslo of in Berlijn heeft geen enkele zin als we deze problemen niet onder ogen zien.