Gazeta Wyborcza vat pakkend samen waar wij op dit moment getuige van zijn: “Het einde van 24 jaar Balkanoorlog”, ook al zijn de littekens nog lang niet geheeld.

Op 19 april, 15 jaar na de NAVO-interventie en na maandenlange onderhandelingen onder de bescherming van de EU, hebben Servië en Kosovo een akkoord ondertekend waarmee hun relatie genormaliseerd is. Een gebaar dat terecht historisch genoemd mag worden, zelfs al betekent het nog geen erkenning van Pristina door Belgrado, en zal de uitvoering van de autonomie die er aan de gebieden met een Servische meerderheid is toegekend, ongetwijfeld moeizaam verlopen.

Minder dan een week later verricht de Servische president een symbolische daad, dit keer voor zijn Bosnische buren. De indruk die Tomislav Nikolić maakt, valt in het niet bij die van de Duitse kanselier Willy Brandt op zijn knieën voor het gedenkteken van het joodse getto in Warschau. Maar door “op zijn knieën” om vergiffenis te vragen voor “de misdaden in Srebrenica”, erkent hij de verantwoordelijkheid van Servië voor de genocide van 1995 en opent hij de weg naar een dialoog die op zijn beurt ook weer alles behalve gemakkelijk zal zijn.

Deze twee gebeurtenissen hebben een gemeenschappelijk kenmerk: de wens om de bladzijde over de oorlogen in het voormalig Joegoslavië om te slaan en zich richting de EU te begeven. In deze periode van Europese crisis laten de landen van de westelijke Balkan ons zien dat de Europese Unie nog over een beetje van zijn ‘soft power’ beschikt: het vermogen om de dichtstbijzijnde buurlanden te stabiliseren en te democratiseren.

Maar de wens van de Serviërs (wie zou er geloofd hebben dat de nationalist Nikolić en zijn premier Ivica Dačić, voormalig woordvoerder van Slobodan Milošević, die dubbele stap zouden zetten?), de Kosovaren en op langere termijn de Bosniërs, om bij Europa te mogen horen, kan voor de EU een gevaarlijke verbintenis opleveren. Want er dringen zich twee mogelijke scenario op waartussen eigenlijk een moeilijk te vinden gulden middenweg moet worden gevonden.

Door positief te reageren op deze bewijzen van goede wil en Servië (het meest vooruitstrevende land van de drie) binnen een aantal jaren te laten toetreden, ontstaat het risico van een te snelle en onvoldoende voorbereide uitbreiding. De economie, de overheidsstructuur, het rechtssysteem, en meer in het algemeen de politieke praktijken in deze nieuwe lidstaat, zouden nog te ver afstaan van de optimale Europese normen. En dat zou resulteren in een afwijzing door de publieke opinie binnen de EU en een desillusie in het land.

Van de andere kant zou het uitstellen van de toetreding ertoe kunnen leiden dat het enthousiasme voor hervormingen en democratisering van zijn leiders en de hele maatschappij wordt gesmoord.

In andere woorden: hoewel Servië en zijn buurlanden in de afgelopen dagen bemoedigende signalen afgaven, zal de EU een perspectief moeten schetsen door grenzen te stellen. Een politieke geometrieopgave waarin de EU nooit heeft uitgeblonken. Het voorbeeld van de toetreding van Cyprus, die moest bijdragen aan het oplossen van het probleem rond de Turkse bezetting van de helft van het eiland, en die van de doelloze onderhandelingen met Turkije, herinneren daar maar al te zeer aan. En des te meer aangezien de westelijke Balkan, het is bijna een cliché, een explosieve regio blijft.

De toetreding van Kroatië op 1 juli is geen toeval. Want niemand twijfelt eraan dat dat de leiders in Belgrado ertoe dwingt ervoor te zorgen dat het niet verbannen wordt naar de groep van kleine Balkanstaten zonder toetredingsperspectief. De toetreding moet ertoe leiden, zoals de politicoloog Jean-Sylvestre Mongrenier onlangs in herinnering bracht dat de rechtsstaat in het uitbreidingsbeleid centraal wordt gesteld”. Om beter voorbereid te zijn op de ontvangst van toekomstige toetreders en een ontgoochelend resultaat te voorkomen.