Het was het ondergeschoven kindje van de Europese Raad van 22 mei, en terecht: terwijl de belastingontduiking, hét onderwerp van de top, Europa bijna duizend miljard euro per jaar kost, bedraagt de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen het Oude Continent ‘slechts’ 388 miljard euro per jaar.

Toch is de kwestie van energiebevoorrading iets dat al lang wordt besproken door de 27 lidstaten. Worstelend met een economie die nauwelijks groeit, hebben ze ingezet op een daling van de energierekening om de trend te keren en de concurrentiekracht van hun ondernemingen nieuw leven in te blazen. De EU kijkt gefascineerd naar de Verenigde Staten, waar het economisch herstel steun ondervindt van de veel lagere energieprijzen, vooral dankzij de exploitatie van schalie-olie en -gas, en is geschrokken door de stijging van de elektriciteitsprijzen. Ze heeft daarom een drieledige doelstelling voor ogen: het garanderen van betaalbare prijzen, het omlaag brengen van importkosten en het verzekeren van een constante binnenlandse productie. En dat alles ook nog eens zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen inzake het terugdringen van de CO2-emissies.

Om dit wonder te kunnen bewerkstelligen, moeten de lidstaten niet alleen hun nationale belangen opzij zetten – en het energiebeleid is zeker een van de terreinen waarop het nationaal belang systematisch prevaleert binnen de groep van de 27 lidstaten – maar ook afspreken om massaal te gaan investeren in de ontwikkeling van ‘groene’ energiebronnen, van nieuwe installaties voor de productie van door aardwarmte opgewekte elektriciteit, en van de infrastructuur voor het transport van grondstoffen en elektriciteit. Een kostenpost die door de voorzitter van de Europese Raad, Herman Van Rompuy wordt geschat op “duizend miljard euro tussen nu en 2020”. Nog eens duizend miljard, toe maar.....

Tegelijkertijd herinnerde Van Rompuy er op een persconferentie na de top aan dat “de lidstaten ook op eigen kracht veilige en duurzame energiebronnen kunnen ontwikkelen – conventioneel of niet. En ja”, voegde hij eraan toe, “daar reken ik ook schaliegas toe, dat in de energiemix van bepaalde lidstaten zou kunnen worden opgenomen”. Sommige lidstaten, zoals het Verenigd Koninkrijk en Roemenië, hebben niet op de Europese Raad gewacht om zich op het winnen van deze fossiele brandstof te storten, waarvan in Europa enorme reserves aanwezig zijn. De exploitatie ervan is echter controversieel, vanwege de significante gevolgen voor het milieu. De industrie wil niets liever.

Maar alvorens de ambitie op te geven om de voorlopers van het olieloze tijdperk te worden, bij gebrek aan oliebronnen, zouden de lidstaten, als ze hun ondernemingen op energiegebied werkelijk willen steunen, eens kunnen beginnen de belastingen op energie te verlagen: in de Verenigde Staten zijn de belastingen op elektriciteit voor de industrie bijna nul, terwijl ze in de Europese Unie gemiddeld een eurocent per kilowattuur bedragen.