Bijna alles is zo ongeveer wel gezegd over Europa en zijn onhandige opstelling tegenover de Arabische revoluties: dat Europa de dictators te zeer gesteund heeft om het verlangen van de bevolking naar vrijheid te begrijpen; dat Europa de gebeurtenissen uitsluitend vanuit het perspectief van immigratie en terrorisme bekijkt; dat Europa de deur dicht houdt voor de Noord-Afrikaanse volkeren in plaats van te verzinnen hoe het hen kan helpen; dat Europa niet in staat is een gemeenschappelijk standpunt te bepalen en dit duidelijk tot uiting te brengen… Kortom, dat Europa een historische kans laat lopen om invloed uit te oefenen op gebeurtenissen die een mondiale dimensie hebben.

Natuurlijk is het zo dat de EU sancties heeft ingesteld tegen het regime van kolonel Khadaffi, en dat ook de Verenigde Staten – de mogendheid die het dichtst bij Europa staat – blijk geven van besluiteloosheid en onhandigheid. En natuurlijk zijn Europese diplomaten actief in Brussel, New York en ook al in Tunis, Caïro en Tripoli, en moeten wij in deze situatie verstandig en omzichtig te werk gaan. Maar toch heeft Europa, in een regio waarmee het sinds de Grieks-Romeinse oudheid nauw verbonden is, nog niet laten zien dat het opgewassen is tegen de huidige gebeurtenissen en dat het in staat is te handelen in plaats van alleen maar te reageren.

Het ziet ernaar uit dat dit een belangrijke week wordt. Op 11 maart komen de Europese staatshoofden en regeringsleiders in Brussel bijeen voor een bijzondere Europese Raad, die gewijd zal zijn aan Libië. Alle EU-landen vragen zich af of er militair moet worden ingegrepen of humanitaire bijstand moet worden verleend. Maar daarnaast moet er ook een lange-termijnstrategie worden vastgesteld voor de economische en politieke ontwikkeling van de gehele euro-mediterrane regio.

Na deze top vindt er nog een cruciale ontmoeting plaats, die gericht zal zijn op de toekomst van de eenheidsmunt. Tijdens deze bijeenkomst zullen de leiders van de zeventien eurolanden met elkaar spreken over de versterking van het Europese stabilisatiefonds en over het door Duitsland en Frankrijk voorgestelde concurrentiepact, terwijl de geruchten over een reddingsplan voor Portugal steeds hardnekkiger worden. Definitieve besluiten hierover zullen tijdens de Europese Raad van 25 maart worden genomen.

In een proefschrift dat tachtig jaar geleden werd gepubliceerd, legde de Belgische historicus Henri Pirenne uit dat "Karel de Grote zonder Mohammed ondenkbaar was". Hij bedoelde daarmee dat als er geen sprake was geweest van moslimexpansie in een groot deel van het Middellandse-Zeegebied, het post-Romeinse Europa niet gedwongen zou zijn geweest zich te richten op het noorden van het continent, om daar nieuwe, Europese handelsroutes op te zetten en een nieuwe politieke eenheid te stichten. Omdat Europa zijn positie rond de Middellandse Zee was kwijtgeraakt, legde de koning der Franken de fundamenten voor het Heilige Roomse Rijk.

Op dit moment, nu er in Noord-Afrika ingrijpende politieke veranderingen plaatsvinden, ziet de Europese Unie zich verplicht haar economische, monetaire en fiscale systemen opnieuw te definiëren. Hoewel deze twee fenomenen los van elkaar staan, hangen ze toch nauw met elkaar samen. Want Karel de Grote kon de Middellandse Zee weliswaar de rug toekeren, maar de huidige Europese leiders kunnen niet werkeloos blijven toezien hoe de Arabische landen onvermijdelijk integreren in een economie en een samenleving die steeds meer een mondiaal karakter krijgen, maar waarin Europa steeds minder belangrijk wordt. Angela Merkel en Nicolas Sarkozy kunnen hun concurrentiepact niet zonder meer aan hun partners opdringen, maar met elkaar zullen de EU-landen wel een manier moeten vinden om de zwakte en de besluiteloosheid die de Europese Unie nu al een jaar verlammen, te overstijgen.

Op 11 maart zal er dus eindelijk moeten worden gezocht naar de juiste middelen om de economie te versterken, het vertrouwen te herstellen en de politieke lijnen uit te zetten van een waarachtige internationale ambitie.