Gelijktijdig met de schuldencrisis zorgt een even brede als discrete migratie ervoor dat de moeilijkheden van de meest kwetsbare landen uit de eurozone nog verergeren. "De grote kapitaalvlucht", zo genoemd door de econoom Federico Fubini, naar Duitsland, Luxemburg en Nederland laat de inter-Europese kredietverstrekking opdrogen en bemoeilijkt de financiering van staatsschulden.

"Het begon allemaal begin 2008, aan de vooravond van de val van de banken Bear Stearns en Lehman Brothers in de Verenigde Staten”, schrijftFubini in de Corriere della Sera. De banken in de grootste Europese economieën hadden voor honderden miljarden euro aan leningen uitstaan in de andere landen van de eurozone. De grote angst voor de crisis veroorzaakte een run op het terughalen van investeringen, door zowel institutionele beleggers als particulieren:

Alleen al vanuit Italië en Spanje werd in drie jaar tijd 600 miljard dollar gerepatrieerd naar Duitsland en Frankrijk. Daardoor werden de verschillen in de rentetarieven op de staatsschuld tussen de landen onoverkomelijk groot. Iedereen ging met zijn geld naar huis, alsof er geen vertrouwen meer bestond tussen partners en in de eurozone. En dat had twee redenen: ten eerste dwongen de nationale toezichthouders iedereen die richting uit, en ten tweede besloten de banken (en bedrijven) dat de euro binnenkort wel niet meer zou bestaan en dat het daarom veiliger was hun vermogens en schulden onder een nationale jurisdictie te brengen. [...] Tegelijkertijd vreesden de spaarders in sommige kwetsbare eurolanden dat de staat en de banken de schok niet te boven zouden komen. En omdat ze de boel dus niet langer vertrouwden, gaven ze er de voorkeur aan hun geld elders veilig te stellen.

Om deze vicieuze cirkel te doorbreken suggereert Fubini "een politiek akkoord op het hoogste niveau te sluiten, net als in Maastricht in 1991", toen de Europese leiders overeenkwamen de eenheidsmunt te lanceren en convergentiecriteria opstelden om mee te mogen doen.