“De populariteit van Erasmus neemt toe met de crisis”, schrijft La Vanguardia. Volgens een rapport dat gepresenteerd werd door de Eurocommissaris voor Onderwijs Androulla Vassiliou, heeft het Europese uitwisselingsprogramma voor studenten de grens van 3 miljoen deelnemers sinds de start van het programma in 1987, overschreden.

Het programma “telde in slechts 4 jaar een miljoen extra deelnemers, een stijging die gelijke tred houdt met de verergering van de economische crisis”. Binnenkort wordt het programma hervormd. Een van de nieuwigheden is dat Brussel een minimum bedrag zal vaststellen voor de beurs die iedere student ontvangt, gebaseerd op het land van bestemming, en niet langer alleen een maximum. Want, zo legt La Vanguardia uit:

Erasmus-student zijn vanuit Spanje is niet hetzelfde als vanuit Letland: in de Baltische staat ontvangt iedere student 641 euro per maand. Spanje staat aan het andere uiterste van die lijst, met slechts 123 euro per maand per student, het laagste bedrag van de hele EU. Andere landen – vooral waar de inkomens lager liggen – kiezen voor het omgekeerde systeem: zij sturen minder studenten maar bieden betere beurzen. De Europese Commissie wil het systeem hervormen om af te rekenen met dergelijke verschillen en degenen de mond te snoeren die beweren dat het Erasmus-programma “een beurs voor rijken is”.

Spanje, dat vorig jaar 40.000 deelnemende studenten had, is het land dat de meeste studenten ontvangt en ook de meeste naar het buitenland stuurt, schrijft de krant, die daaraan toevoegt dat:

het budget voor Erasmus+ een van de zeer weinige budgetten is waarvoor in de komende communautaire begroting extra geld is uitgetrokken. Het programma vertegenwoordigt tussen 2014 en 2020 14,5 miljard euro, 40% meer dan in de afgelopen zeven jaar.