Het populisme maakt al sinds de Romeinse tijd deel uit van de democratie, schrijft politiek wetenschapper Yascha Mounk in Foreign Affairs. De wederopleving van het verschijnsel is niets anders dan een natuurlijke reactie na de “lange periode van spectaculaire economische groei” die heeft geduurd van het einde van de Tweede Wereldoorlog tot eind jaren zeventig. Hoewel gevestigde politici zaken als de overwinning van eurosceptische partijen bij de Europese verkiezingen van mei wegredeneren als gevolgen van de financiële crisis, die door het economisch herstel vanzelf zullen verdwijnen, meent Mounk dat de wortels ervan zijn gelegen in “een langetermijnstagnatie van de levensstandaard en een diepe crisis van de nationale identiteit”.

De burgers van de westerse democratieën worden geconfronteerd met het einde van een trend die dateert van de Industriële Revolutie, waarbij iedere generatie steeds een hogere levensstandaard genoot dan de vorige. Daarnaast is er sprake van toenemende economische instabiliteit en onzekerheid over de toekomst, waardoor veel mensen “er steeds meer van overtuigd zijn geraakt dat de gevestigde politiek hen in de steek heeft gelaten”. Dit gevoel van onzekerheid wordt nog versterkt door “miljoenen immigranten” die, in plaats van tijdelijk te blijven, zoals regeringen hadden beloofd, “het recht hebben verworven zich in hun adoptielanden te vestigen en zijn gaan eisen dat ze als volwaardige leden van de samenleving worden geaccepteerd”.

In een dergelijke context profiteren populisten ervan zichzelf neer te zetten als de stem van de “zwijgende meerderheid”. Ze beloven “de belangen van de 'echte' leden van de natie te beschermen tegen minderheden waarmee de politieke elites zogenaamd onder één hoedje spelen”. Na een periode van economische voorspoed, waarin “de gevestigde politieke partijen van de meeste westerse democratieën erin zijn geslaagd hun populistische rivalen te verbannen naar de onschadelijke rafelranden van het politieke discours”, kan de wederopleving van het populisme een bedreiging van de democratie zelf lijken.

Maar “niet iedere populistische beweging hoeft slecht te zijn voor de democratie”, betoogt Mounk, die zegt dat democratieën “ruimte moeten bieden aan de gerechtvaardigde grieven die ten grondslag liggen aan het populisme, terwijl de kiezers ervan moeten worden overtuigd dat de simpele oplossingen die door de populisten worden aangedragen gedoemd zijn te mislukken”. Op het economische vlak zijn hier riskante beleidswijzigingen voor nodig:

Vooral in Zuid- en West-Europa zullen politici zeer impopulaire maatregelen moeten nemen, zoals het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd en het versoepelen van de arbeidswetgeving. […] Maar een nieuwe generatie ambitieuze politici, waaronder de Italiaanse premier, Matteo Renzi, begint steun te zoeken voor pijnlijke economische hervormingen door stem te geven aan populistische frustraties en kiezers zich te laten scharen achter het doel van de herverdeling van de beschikbare middelen.

Voor de Europese leiders is het nóg moeilijker hun burgers gerust te stellen over de vermeende bedreiging van de nationale identiteit van de kant van de EU -

Een veelbelovend begin zou zijn afstand te doen van hun reeds lang bestaande toewijding aan een “steeds nauwere unie,” een verlangen die het voor de populisten maar al te makkelijk maakt om te beweren dat de EU-bureaucraten niet zullen rusten voordat ze de Europese natiestaten hebben ontmanteld. Door een specifiek eindpunt voor het integratieproces in het vooruitzicht te stellen, kunnen de Europese leiders zich immuun maken voor de aantijging dat ze zwak zijn op het gebied van de soevereiniteit, terwijl ze de voornaamste verworvenheden van de EU kunnen beschermen, zoals het vrije verkeer van mensen en goederen.

Vertaald uit het Engels door Menno Grootveld