Fragmenten van archieven van de Poolse en Tsjecho-Slowaakse geheime dienst. © Presseurop

Communistische archieven doen stof opwaaien

In de voormalige Sovjetlanden brengen de archieven van de geheime dienst regelmatig de gemoederen in beroering. De reacties in deze landen variëren tussen de behoefte om het verleden te begrijpen en te vergeten, al naar gelang de manier waarop de politieke omslag heeft plaatsgevonden.

Gepubliceerd op 9 juli 2009 om 14:10
Fragmenten van archieven van de Poolse en Tsjecho-Slowaakse geheime dienst. © Presseurop

Dissidenten of collaborateurs: hun namen staan allemaal op dezelfde lijst. "Die lijst was waardeloos. Ten tijde van het communistische regime [in Polen] zat ik in de verzetsbeweging Solidarność [Solidariteit], en van de ene op de andere dag kon iedereen in Polen denken dat ik een agent van de geheime politie was," aldus Andrzej Jagodzinski, die zich hier vier jaar later nog altijd over opwindt.

Toen in 2005 de 160.000 namen uit de database van de communistische geheime politie op internet werden geplaatst, veroorzaakte dat een golf van paniek in Polen. Miljoenen mensen bezochten de website die de namen had gepubliceerd. Op deze archieflijst, die stiekem was gekopieerd, wordt geen onderscheid gemaakt tussen collaborateurs en tegenstanders van het regime. Er worden zelfs geen geboortedata vermeld.

Net als tienduizenden andere Polen die op de lijst stonden, vroeg ook Jagodzinski aan het Instituut voor nationale geschiedenis (IPN), waar dit document onrechtmatig vandaan kwam, om hem uit te leggen waarom zijn naam op de lijst stond. Negen maanden later ontving hij een officiële brief van het IPN, dat hem liet weten dat hij in de gaten was gehouden vanwege zijn status van 'vijandig individu'.

Een moeizaam proces in Polen en Hongarije

Achter dit bureaucratische jargon van het IPN gaan alle emoties schuil die Polen sinds de publicatie van de lijst in zijn greep hebben. De lijst wordt de "Wildstein-lijst" genoemd, naar de journalist Bronisław Wildstein, die hem als eerste in de openbaarheid bracht. Wildstein, voormalige dissident en emigrant met een tamelijk grillige levensloop, is een van de felste tegenstanders van de opvatting dat er 'definitief een streep door het verleden moet worden gehaald'. Het lijkt erop dat hij met deze clandestiene actie zijn doel bereikt heeft. Net als luchtbelletjes die onder druk omhoog borrelen, komt het verleden vanuit de Poolse archieven bovendrijven.

Eén ding staat vast: het spook van het communistische regime, dat miljoenen mensen angst inboezemde en in geestelijk opzicht heeft gebroken, is weer opgedoken in Polen. Niemand weet op dit moment wat deze archieven nog meer verborgen houden, "wie" er gebruik van zou kunnen maken en "tegen wie" de informatie zou kunnen worden gebruikt.

Waarom wordt er in Midden-Europa per land zo verschillend met het verleden omgegaan? Waarom behoren Hongarije en Polen, die als eersten op een democratisch bewind overgingen, tot de laatste landen die hun pijnlijke verleden onder ogen moeten zien? Tomáš Bezák, een Slowaakse student politicologie, trekt in zijn voortreffelijke afstudeerscriptie de volgende conclusie: in landen waar de communisten actief hebben meegewerkt aan het overgangsproces naar de democratie, kwam het moment waarop men zich met het communistische verleden ging bezighouden, pas veel later.

"In landen als Tsjechië en Oost-Duitsland, leken de communistische machthebbers - tot aan hun val – oppermachtig en waren geen gesprekspartner voor de revolutionairen. Het regime was dan ook binnen enkele dagen ten val gekomen. Er was geen enkele reden om de communisten ook maar iets te beloven," schrijft de Tsjechische politicoloog Jacques Rupnik in zijn nieuwe boek "Een democratie die te snel afgemat is".

De communistische regimes in Hongarije en Polen waren anders dan het communistische regime in Tsjechië. In die landen leek het zinvol om naar een consensus te streven. Maar daar moest wel een prijs voor worden betaald: er werden geen zuiveringen doorgevoerd en de belangrijke figuren van het voormalige regime keerden al snel terug op de hoogste posten van het land.

De instelling die belast is met het beheer van het communistische verleden in Hongarije wordt nu "Commissie Kenedi" genoemd, naar de directeur ervan, de socioloog en voormalig dissident János Kenedi. Met veel volharding streeft Kenedi twee doelstellingen na: publicatie van de namen van voormalige officiers en agenten van de communistische geheime diensten, en openstelling van de archieven voor het publiek. Maar dat is niet eenvoudig. "Het ministerie van Binnenlandse Zaken weigert ons toegang te verlenen tot een deel van het archief, naar alle waarschijnlijkheid om de belangen van de huidige geheime politie te verdedigen," licht Kenedi toe. En hoewel niemand precies weet hoeveel dossiers er al vernietigd zijn, beweert Kenedi stellig dat deze documenten in de jaren 1989-1995 massaal in de versnipperaar terecht zijn gekomen. Anders dan in Polen lijkt het er in Hongarije dus op dat de politieke klasse, twintig jaar na dato, de archieven niet wil openstellen voor het publiek. De continuïteit van het beleid, voor en na 1989, is hier nog meer uitgesproken dan in Polen.

Tsjechië en Slowakije, een geslaagde missie

Toen het Slowaakse Parlement in 2001 instemde met de oprichting van het Instituut voor de geschiedenis van de natie (UPN) en Ján Langoš hierover de leiding gaf - die als parlementslid aan het wetsontwerp had gewerkt - begrepen de Slowaakse politici niet meteen hoe belangrijk deze wet was. Het kostte hun twee jaar om de volle reikwijdte ervan te overzien. Ondertussen had het instituut van Langoš al heel veel informatie aan het licht gebracht. Het had de lijst met dossiers van de Stb [de Tsjecho-Slowaakse geheime politie] op internet gezet en door de enorme belangstelling van de Slowaakse internetgebruikers was de site van het instituut herhaaldelijk onbereikbaar.

Als je de situatie van Slowakije vergelijkt met die van de andere landen in Midden-Europa, dan is de wijze waarop Slowakije met zijn communistische verleden omgaat, toch een succes te noemen. Dankzij de politieke wil om het verleden onder ogen te zien en dankzij de zuiveringsacties, maar ook dankzij de vasthoudendheid van Ján Langoš, kon de Slowaakse politiek weer gezond worden: voormalige communistische spionnen en agenten werden aan de kant gezet en het verleden werd niet langer als een politiek wapen gebruikt.

Het lijkt erop dat wij er in Tsjechië, vergeleken met onze buurlanden, beter uit zijn gekomen. De debatten rond het functioneren van het Tsjechische Instituut voor onderzoek naar totalitaire regimes (USTR) zijn steekhoudender. [In Tsjechië zijn de archieven van de communistische geheime dienst openbaar.] Historici, politici en de media vliegen elkaar niet langer in de haren over de vraag of de informatie uit de dossiers van de geheime diensten van het oude regime wel of niet openbaar moet worden gemaakt; zij vragen zich liever af in hoeverre wij in staat zijn deze informatie juist te interpreteren en uit te leggen. Langzamerhand verliezen de discussies over ons communistische verleden hun ideologische tintje en komen ze in de sfeer van normaal historisch onderzoek terecht.

In de onderzoekszaal in Praag kan iedereen de documenten van de geheime diensten raadplegen. Iedereen kan erachter komen wie hem of haar heeft aangegeven, en wie er met de geheime politie heeft samengewerkt. Het gevoel van beklemming dat hier hangt - en dat er de reden van is dat critici van het instituut het soms de bijnaam "George Orwell Instituut" geven - wordt simpelweg veroorzaakt door het feit dat nummers en processen-verbaal op zich niet voldoende zijn om mensen uit te leggen en te laten begrijpen wat er echt gebeurd is.

Het zal waarschijnlijk nog wel even duren voordat onze historici, die zich in de eerste plaats op de jaren 1968 en 1989 richten, een conclusie kunnen trekken uit het onderzoek naar onze recente geschiedenis. Maar ondanks dat zij nog maar kort bestaat, kan deze gemeenschap van historici er prat op gaan dat zij al een aantal overtuigende resultaten heeft behaald.

Tsjechië

Op Internet gepubliceerde lijsten

In Tsjechië, het eerste land in Centraal Europa dat de geheime archieven van de Staatsveiligheidsdienst openbaar maakte, heeft het Instituut voor de studie van totalitaire regimes er een concurrent bij. ”Nieuwe lijsten openbaar gemaakt op internet", kopte Lidové Noviny op 6 juli, waarmee de krant aankondigde dat er enkele duizenden namen online waren gezet door voormalig dissident Stanislav Penc. Deze laatste meent dat ”het Instituut zijn interpretatie van de geschiedenis aan ons opdringt, informatie achterhoudt en alleen die zaken openbaar maakt die bij het grote publiek in de smaak vallen ”.

Paval Żáček, directeur van het Praagse Instituut, beheert 20 kilometer aan documenten en leidt 273 werknemers. Hij is van mening dat Penc alleen ”open deuren intrapt”. De nieuwe database verschilt van de lijst van Cibulka, die namen bevat van burgers die voor de geheime politie werkten. Een lijst die bij de publicatie in 1992 erg omstreden was. Lidové Noviny verklaart dat deze nieuwe lijst het voor iedereen mogelijk maakt om na te gaan of hij al dan niet deel uitmaakte van de ‘personen onder toezicht’. Maar het dagblad waarschuwt dat op internet de leek misschien niet in staat is om het verschil te maken tussen een ‘vijand’ en een ‘collaborateur’ van het regime. Het Instituut kan de originelen van de ‘papieren registers’ raadplegen en kan dus met zekerheid elke naam van meer informatie voorzien dan de website van Stanislav Penc.

Are you a news organisation, a business, an association or a foundation? Check out our bespoke editorial and translation services.

Ondersteun de onafhankelijke Europese journalistiek.

De Europese democratie heeft onafhankelijke media nodig. Voxeurop heeft u nodig. Sluit u bij ons aan!

Over hetzelfde onderwerp