We kunnen 20 jaar na de start van de overgangsperiode vele voorbeelden noemen van de zaken die in West-Europese landen hebben gewerkt, waar de ontwikkeling immers niet in de ijskast is beland door toedoen van een communistisch regime. Toch zijn er ook in de voormalige Oostbloklanden wel dingen te noemen die succesvol zijn geweest of die hebben gewerkt.

Laten we daarbij één ding vooral niet vergeten: in de voormalige Oostbloklanden binnen de Europese Unie, met uitzondering van de Tsjechische Republiek, vormen de oorspronkelijke communisten geen parlementaire groepering, zelfs geen partij. Ze zijn sociaaldemocraat geworden, zoals in Hongarije, Polen en Litouwen, of ze zijn verdeeld geraakt over verschillende stromingen binnen de publieke opinie, ter verdediging van de nationale soevereiniteit, linkse of liberale stromingen. Dit is het geval in de Baltische staten en in Slovenië.

Polen moesten veel meer moeite doen om baan te vinden

De hervormingen die begin jaren 90 van de vorige eeuw in Polen werden doorgevoerd, met als gevolg een werkeloosheidscijfer dat een niveau bereikte van meer dan 20% van de bevolking, werd ervaren als een shocktherapie. Veel mensen zijn voor hun pensioen afhankelijk geworden van verschillende overheidssystemen (voornamelijk de kleine boeren en mensen die van een VUT-regeling gebruik konden maken). Het kapitalisme was in Polen een stuk lastiger te verwezenlijken dan in de Tsjechische Republiek, hetgeen voor de Polen betekende dat ze veel meer moeite moesten doen om een baan te vinden, zowel in eigen land als in het buitenland. De ramingen van een jaar geleden maakten melding van 2 miljoen Polen die werkzaam waren in EU-landen.

De Polen onderscheiden zich dan ook met hun mening over toetreding tot de EU. De hele samenleving ziet in het EU-lidmaatschap en de toegang tot Europese middelen een mogelijkheid om een culturele sprong voorwaarts te doen die zijn weerga in de Poolse geschiedenis niet kent. Deze tendens werd vooral bevestigd toen nationalistische en populistische partijen tijdens de jongste verkiezingen (2007) buitenspel werden gezet.

Slowakije, de "derde sector"

In Slowakije hebben Vladimír Mečiar en zijn autoritaire regering in de jaren 90 van de vorige eeuw bijgedragen aan het ontstaan van non gouvernementele organisaties. Dat wordt ook wel "de derde sector" genoemd. Deskundigen van deze organisaties, die zelf in verschillende onderzoeksinstituten en stichtingen werkzaam zijn, legden de basis voor de hervormingen die de opeenvolgende kabinetten van minister-president Dzurinda doorvoerden, vooral op het gebied van belastingen en gezondheid. Meer in het algemeen ontstond er binnen de Slowaakse samenleving langzaam maar zeker een zeer vruchtbare bodem voor acties en ontwikkelingen op het gebied van onafhankelijke meningsvorming, dus niet ingegeven door de overheid.

Het resultaat van het referendum van mei 2003 over de toetreding van Slowakije tot de Europese Unie (92,46% was voor) kan daaruit worden verklaard en daarnaast grotendeels ook door het werk dat door verschillende non gouvernementele organisaties is verzet. Deze non gouvernementele organisaties bieden een ideologisch tegenwicht voor de zittende lynxpopulistische van Robert Fico.

De "e-regering" van Estland

De digitale democratie in Estland – de e-regering – is de perfecte illustratie van het samenkomen van regerings- en non gouvernementele acties. Inwoners van Estland kunnen al sinds 2005 op lokaal niveau via internet stemmen en sinds 2007 ook op nationaal niveau. De Estse ministerpresidenten roemen de zaal van de ministerraad, waarin nooit wordt vergaderd te midden van stapels papier, omdat alles via de computer loopt. Wetsvoorstellen dienen via internet te worden voorgelegd voor een openbaar debat en ambtenaren zijn verplicht om rekening te houden met opmerkingen die door burgers worden geformuleerd.

Dure Hongaarse autowegen

In de Tsjechische media wordt vaak melding gemaakt van het feit dat Tsjechië de duurste autosnelwegen ter wereld aanlegt. Hongaren zijn echter dezelfde mening toegedaan over hun eigen snelwegen. Ze hebben ervaring opgedaan met het laten aanleggen van autosnelwegen door commerciële bedrijven, waarvan niemand echter graag gebruik wilde maken, omdat men de toltarieven te hoog vond. Het eind van het liedje was dat de overheid zich gedwongen zag om de tolheffing voor haar rekening te nemen. Tegenwoordig kunnen de Hongaren een zevental autosnelwegen nemen tegen een redelijk tarief.

De prijs die moet worden betaald voor een efficiënt snelwegennet is dat er een groot aantal speculaties de ronde doet over het bedrag aan steekpenningen waarvan deze of gene politieke partij zou hebben geprofiteerd die op het moment van aanbesteding aan de macht was. Onder Hongaarse journalisten doet het verhaal de ronde dat de aanleg van autosnelwegen en ‘het delen van de winst’ de enige onderwerpen zijn waarover links en rechts het eens kunnen worden. Het schijnt zelfs zo te zijn dat de twee grootste partijen, de voormalig communisten en de Hongaarse volkspartij (Fidesz), over eigen geheime teams beschikken, die zich wijden aan het innen van de toltarieven.