Het besluit van Brazilië en een aantal andere landen om het hulpprogramma van het IMF in Griekenland niet langer te steunen is een geschikt moment om de kwestie van steun van het IMF aan eurolanden weer eens aan de orde te stellen.

Laten we vooral niet vergeten dat de interventie van het IMF binnen de eurozone niet vanzelfsprekend is. Normaal gesproken komt het IMF immers landen te hulp met een sterk onevenwichtige betalingsbalans. Die situatie leidt in veel gevallen tot een vlucht van buitenlands kapitaal, een daling in de reserves van de centrale bank en een devaluatie van de nationale valuta.

Door opnieuw toegang te verlenen tot reserves via een steunprogramma en op voorwaarde van hervormingen, doet het IMF een poging om investeerders gerust te stellen en de geldstromen naar het noodlijdende land weer op gang te brengen. Maar de betalingsbalans in de eurozone is in evenwicht en de euro is een sterke munt, dus er is niets dat een interventie door het IMF nog rechtvaardigt.

IMF moest rol van zondebok spelen

Dat bracht Jean-Claude Trichet in zijn functie van president van de ECB er aan het begin van de crisis in 2010 overigens toe om een beroep op het IMF als falen voor de eurozone te kwalificeren.

Uiteindelijk is het IMF om drie belangrijke redenen toch ingeschakeld in de eurolanden Griekenland, Ierland, Portugal en Cyprus. De eerste is eenvoudig: er was domweg geen plan van aanpak om een situatie van een noodlijdend euroland het hoofd mee te bieden. Het IMF was de enige beschikbare financiële instelling die hulp kon verlenen aan lidstaten die te maken kregen met de behoefte aan financiering op de zeer korte termijn.

De tweede reden was politiek: het IMF moest zijn rol van zondebok spelen, de instantie die impopulaire voorwaarden stelt voor economisch herstel, waartoe de eurolanden zelf niet bereid en evenmin in staat waren. En laten we tot slot de absolute expertise van het IMF niet vergeten om binnen een paar weken economische programma’s op te stellen. Zo valt zulke steun in een crisissituatie immers ook te rechtvaardigen.

ESM is als een Europees Monetair Fonds

In de loop van de afgelopen drie jaar is de eurozone echter weer op gang gekomen. Enerzijds zijn de nodige financiële solidariteitsinstrumenten in werking getreden. De ECB heeft OMT’s (”Outright Monetary Transactions”) in het leven geroepen, die de bank in staat stellen de financiering van een lidstaat op zeer korte termijn te regelen. Dit rechtvaardigt ook de uitspraak van ECB-president Mario Draghi, dat de ECB "alles in het werk zal stellen wat nodig is" om de euro overeind te houden.

Daarnaast hebben de autoriteiten van de eurozone het Europese Solidariteitsmechanisme (ESM) in het leven geroepen. Dit mechanisme speelt feitelijk de rol van een Europees monetair fonds dat financiële leningen aan de zwakste lidstaten mogelijk maakt. Tot slot zijn de sterkste lidstaten, met Duitsland voorop, steeds meer hun verantwoordelijkheid gaan nemen, door maatregelen voor economisch herstel te eisen en zich tegelijkertijd solidair te tonen (bijvoorbeeld via hulpfondsen voor jongeren of aan het mkb).

Wordt het tegen deze achtergrond dan niet eens tijd dat de eurolanden inzien dat ze het ook zonder het IMF wel redden? Kan de op één na grootste reservevaluta ter wereld haar soevereiniteit niet gewoon volledig terugkrijgen en laten zien dat ze in staat is om volstrekt solidair te zijn met haar eigen lidstaten en die ook te beschermen? Er zit een dubbel effect aan het niet langer hulp zoeken bij het IMF. Ten eerste een financiële consequentie.

Eurozone moet zichzelf politiek bewijzen

De uitbetalingen van het IMF in Griekenland, Portugal en Cyprus, die overigens vanaf het begin al bescheiden waren, moeten worden aangevuld. De middelen daarvoor zijn nu al beschikbaar via het ESM. Vervolgens zou de eurozone in politiek opzicht dan aan zichzelf worden overgelaten en aan zijn eigen zwakheden, vooral de zwakke convergentie van economieën in het noorden en het zuiden van Europa.

Regeringen hebben de afgelopen jaren echter willen laten zien dat de eurozone niet alleen een monetaire unie is, maar ook een politieke daad. Het zou een krachtig gebaar zijn: na een moeilijke overgangsfase zouden de eurolanden kunnen bewijzen dat ze in staat zijn om zelf hun uitdagingen het hoofd te bieden (zoals het al dan niet kwijtschelden van een deel van de staatsschuld van Griekenland, waarover IMF en eurozone van mening verschillen).

Voordat het besluit wordt genomen om niet langer een beroep te doen op het IMF, zou men echter een gulden middenweg kunnen overwegen. Het IMF zou, net als bij andere landen, met de eurolanden met een steunprogramma preventieve akkoorden kunnen sluiten, uiteraard in overleg met de autoriteiten van de eurozone. Het gaat om verdragen zonder financiële hulp, maar in de vorm van een blanco volmacht op het gebied van economisch beleid. Zo zouden de eurolanden hun financiële autonomie kunnen behouden, terwijl ze toch gebruik kunnen blijven maken van de expertise van het IMF. Het zou een eerste stap zijn. Want uiteindelijk moet de eurozone zichzelf in politiek opzicht bewijzen.