De internationale graadmeter voor het geluksgevoel van mensen, de zogeheten Happy Planet Index, is in Estland het laagst van heel Europa. Wat kunnen we daaruit afleiden? In de resultaten van de Happy Planet Index wordt dit lage cijfer toegeschreven aan het feit dat er in Estland geen sociale samenhang is en de bevolking een diffuus saamhorigheidsgevoel heeft. Estlanders voelen zich doorgaans inderdaad alleen bij hun eigen vrienden op hun gemak. Voor de rest van de wereld halen ze argwanend hun wenkbrauwen op.

Wanneer Estlanders grote wereldsteden bezoeken, verbazen zij zich soms over de maatschappelijke regels die in dat land gelden. Zij zijn nogal direct van aard en beleefdheid en formele benaderingen komen hun vreemd en ouderwets voor. Toch komen ze er al snel achter dat deze beleefdheid ook op straat geldt. In de metro verontschuldigen twee mensen zich wanneer iemand per ongeluk op de voet van iemand anders staat: de ene omdat hij op de voet van de ander heeft getrapt, de ander omdat hij zijn voeten niet op tijd heeft ingetrokken. De solidariteit tussen mensen die elkaar niet kennen is Estlanders nog onbekend.

Het gevoel elkaars vreemde te zijn, volgt ons in ons dagelijks leven. Zo stond ik op een dag voor de deur van het flatgebouw van mijn ouders en kon ik mijn sleutels niet meteen vinden in mijn tas. Achter me stond een man te wachten, die ongeduldig aan zijn sleutelbos zat te friemelen. Toen ik mijn sleutels eindelijk tevoorschijn had getoverd, heb ik de deur voor de stevig gebouwde man opengehouden, waarna hij de deur van het appartement tegenover mijn ouders opende zonder ook maar een woord van dank of een blik van erkenning!

Het lievelingseten van een Estlander is een Estlander

Het is misschien een futiliteit. Maar ieder flatgebouw vormt een stukje van onze maatschappij, en ieder voorval van ongemanierdheid kan kwetsend zijn en onze dag verpesten. Ik weet nog dat we het op de universiteit over de wijsheden van het oude Rome hadden. Het was midden jaren 90, toen het kapitalisme in volle glorie heerste en de uitdrukking 'Homo homini lupus' ons met name opviel. Zoals de Romeinen van mening waren dat 'de mens voor zijn medemens een wolf is', zo plegen wij te zeggen dat het lievelingseten van elke Estlander een andere Estlander is.

Aangezien de mens van nature niet geneigd is tot wederzijdse hulp en onderlinge verstandhouding, zoeken we deze aangename gevoelens op in feesten. Bij dergelijke unieke gelegenheden, of wanneer de natie wordt bedreigd, zijn we ineens wél bereid om samen te zijn en samen te handelen. De laatste tijd zijn er veel gezamenlijke acties of bijeenkomsten geweest voor nationale feesten [begin juli was er het jaarlijkse zangfeest, eind juni is het onafhankelijkheidsbeeld onthuld, in 2008 is er een grote schoonmaakactie op touw gezet voor de bossen en er zijn workshops georganiseerd voor het leren van goed burgerschap]. Vaak komt er een hang naar nationalisme uit naar voren, waaruit de essentie is weggelaten.

Voor wie zijn al deze nationale vieringen eigenlijk bedoeld? Ondanks de dagelijkse problemen en een onzekere toekomst is er een nieuwe generatie jongeren opgegroeid, die 20 jaar geleden zijn geboren. Zij weten zich hun eerste mobieltje of reizen naar het buitenland beter te herinneren dan de grote nationalistische redevoeringen of de Baltische menselijke keten [in augustus 1989]... Zelf ben ik eind jaren 70 geboren en ik kan me niet herinneren dat het gevoel een Estlander te zijn, het beeld van onze onafhankelijkheid en de Estse vlag meer werden gekoesterd dan vandaag. Het is alsof de communicatievaardigheid van Estlanders onlosmakelijk is verbonden met de nationale vlag: als die wordt gehesen, praten we met elkaar, en anders niet. Ergens zit een emotioneel gat.

In plaats van euforie beginnen we angst te voelen alsof we in Zuid-Amerika wonen, waar regeringsleiders onwaarheden verkondigen en het volk plechtig met de vlag zwaait maar wel de poten onder de stoel van zijn eigen buurman wegzaagt.