Poolse vrouwen die in Groot-Brittannië wonen krijgen gemiddeld meer kinderen dan hun leeftijdgenotes in Polen zelf. Toen het grootste Poolse dagblad Gazeta Wyborcza dit verhaal een paar maanden geleden bracht, was het een grote – zij het niet geheel onverwachte – verrassing.

Veel commentaren weerspiegelden een diepe kloof tussen de Poolse publieke opinie en onze sociale werkelijkheid. Het 'Westen' zou liberaal of zelfs libertijns zijn, en daardoor een zeer gevaarlijke, corrumperende invloed uitoefenen op jongeren. Maar kinderen? Die passen niet in dit verhaal. Om de zoveel weken luidt een conservatief politicus de alarmklok over de desastreuze demografische toestand van het land. Poolse vrouwen krijgen gemiddeld slechts 1,23 kinderen: dit is heel slecht nieuws voor de toekomst.

De verklaringen die werden gegeven voor het lage geboortecijfer waren grotendeels van ideologische aard. Het werd toegeschreven aan het hedonisme van de jongeren, aan de tolerante en oversekste populaire cultuur, en aan een gebrek aan patriottisme. Dus toen bleek dat de werkelijke redenen veel prozaïscher zouden kunnen zijn – ondermaatse sociale voorzieningen, slechte en dikwijls niet beschikbare medische zorg, een tekort aan banen voor ouders en aan opvangcentra voor kinderen, dure woningen – werden de commentatoren in verlegenheid gebracht. Plotseling was het feit dat Poolse vrouwen in Engeland meer kinderen kregen dan immigranten uit Bangladesh een voorbeeld van het jammerlijke falen van het sociale beleid in eigen land.

De arbeidsmarkt heeft de hoogopgeleiden niet nodig

De ongemakkelijke waarheid is dat de best opgeleide generatie in de Poolse geschiedenis – bijna de helft van de 25-jarigen bestaat uit jongeren die aan de universiteit zijn afgestudeerd – te maken heeft met een verschrikkelijke arbeidsmarkt. Dit is niet louter te wijten aan de mondiale economische crisis: Polen heeft slechts een periode van lagere groei doorgemaakt, geen daling van het bruto binnenlands product. Desondanks is de toekomst voor jonge Polen verre van stralend – het land dat hun opleiding heeft gefinancierd, heeft ze op de arbeidsmarkt niet nodig en heeft geen idee wat het met hen moet doen: het officiële werkloosheidscijfer voor hoogopgeleiden schommelt rond de 20 procent.

Zij die erin slagen wél aan een baan te komen, zijn net zo gefrustreerd – zij hebben het gevoel dat ze onder hun niveau moeten werken, dikwijls in 'McJobs' zonder carrièrepad, en moeten heel vaak een groot deel van hun salaris 'zwart' bijverdienen om geen belasting te hoeven betalen – waardoor het bijvoorbeeld moeilijk wordt een hypotheek te krijgen. Er is vrijwel geen arbeidszekerheid; werkgevers denken dat zij kunnen doen wat ze willen en dat ze altijd een betere (lees: 'buigzamer') werknemer kunnen vinden. Ze doen er lang over om mensen aan te nemen, maar ontslaan ze bij het minste geringste.

Hoog emigratiecijfer en afwezigheid protestbewegingen

Voor de meeste West-Europeanen is dit een bekend beeld. In Spanje is de werkloosheid onder afgestudeerden twee maal zo hoog als in Polen. Wat Polen anders maakt is het hoge emigratiecijfer, en de complete afwezigheid van een protestbeweging – wat het voor politici makkelijk maakt om het probleem te verzwijgen of rare ideologische verklaringen op te dissen.

Een deel van het probleem is structureel van aard. In de Poolse economie, die een laag technologisch peil kent en wordt gedomineerd door kleine familiebedrijven, zijn er maar weinig banen voor goed opgeleide mensen. Een paar weken geleden publiceerde de krant waarvoor ik werk [Gazeta Wborcza, red.] een brief van een jonge vrouw, die met haar doctoraalscriptie bezig was. Ze kon geen baan vinden die aansloot op haar studie.

Toen ze probeerde kantoorbediende te worden, schreef haar kandidaat-werkgever haar een brief, waarin hij uitlegde dat hij van haar verwachtte dat ze zijn maîtresse werd. Hij voegde eraan toe: “Als je dat niet aanvaardt, hoef je niet op mijn mailtje te reageren – het interesseert me niet wat je denkt.” Probeer je eens vijftigduizend afgestudeerden in de sociale wetenschappen in te denken – zo veel halen hier ieder jaar hun diploma – op zo'n soort arbeidsmarkt.

Geen protesten, geen misdaden, geen problemen

Misschien wel het belangrijkste probleem is onze inefficiënte staat en zijn vergrijzende, los van de werkelijkheid staande politieke klasse. Twee van de grootste politieke partijen worden geleid door mannen van in de vijftig en zestig, die zijn opgegroeid in de strijd tegen het communisme. Zij bewijzen lippendienst aan de problemen van de jeugd, maar niet veel meer. De oplossingen die de staat kan bieden – een paar belastingvoordelen voor werkgevers die afgestudeerden een baan geven – zijn ook vreselijk ontoereikend.

Het staatsapparaat is zowel uit zijn voegen gebarsten als berucht om zijn ondoelmatigheid: de regering heeft onlangs toegegeven dat het ongeveer 100 zloty [25,31 euro, red.] aan administratieve uitgaven kost om 50 zloty [12,75 euro, red.]aan sociale voorzieningen te betalen. Geen wonder dat er geen geld is voor op de jeugd gerichte sociale programma's. Geen wonder dat de jongeren wegtrekken uit Polen. Volgens recent onderzoek uit 2009 werken 1,8 tot 2,4 miljoen vooral jonge Polen in het buitenland. Ondanks de crisis in het Westen lijken ze niet van plan te zijn terug te keren.

Onze politici kunnen zeggen: "We willen niet dat onze jongeren in Londen zitten, we willen ze in Polen hebben". Maar in werkelijkheid slaken ze iedere keer dat ze dat zeggen een zucht van verlichting. Ze zijn blij dat de jongeren verdwenen zijn: geen protesten, geen misdaden, geen problemen. Sommige jongeren sturen zelfs geld naar huis.