Had de Tsjechische premier Petr Nečas gelijk toen hij begin juni tijdens zijn bezoek aan Duitsland beweerde dat de Tsjechen als enigen besluiten zouden mogen nemen op het gebied van kernenergie? Dit vraagstuk ligt bij ons zeer gevoelig. Maar als wij ons zouden ontdoen van onze ‘anti-Brussel’-vooroordelen, niet langer krampachtig blijven vasthouden aan onze ‘soevereiniteit’ en de kwestie rationeel zouden benaderen, zou het antwoord moeten luiden: nee, dat hoeven we niet te doen en dat zouden we ook niet moeten doen.

De oprichting van een Europees Bureau voor Kernveiligheid is om meerdere redenen noodzakelijk. Kernenergie is geen onderwerp dat onder de exclusieve bevoegdheden van de lidstaten valt. Een ongeval heeft namelijk gevolgen op grote schaal. Bovendien genieten de nationale nucleaire autoriteiten niet het vertrouwen dat op dit gebied vereist is. Dit is met name het geval bij Tsjechië. Kerncentrales zijn in dit land dermate geliefd dat de directrice van het Tsjechische Bureau voor Kernveiligheid in persoon aanwezig wil zijn bij de opening van een nieuwe centrale, nog zelfs voordat deze officieel in werking is gesteld. Een nucleaire autoriteit die onafhankelijk is en functioneert met een gezonde dosis scepsis zou zich nooit zo gedragen.

Op langer termijn onhoudbaar

Anderen zijn van mening dat het invoeren van een gemeenschappelijk toezicht op kernenergie logisch is gezien de steeds groter wordende diversiteit in benaderingen op het gebied van kernenergie. In een context waarin gemeenschappelijk beleid gestimuleerd wordt – bijvoorbeeld op het gebied van veiligheid, financiën, visa en antimonopoliewetgeving – is het feit dat er een risicosector bestaat waarvan de veiligheid op het conto komt van de lidstaten die er allemaal hun eigen aanpak op na houden en waarbij de controle uitsluitend door nationale ambtenaren wordt verricht, op de lange termijn onhoudbaar.

Zolang alleen het kleine Oostenrijk een antinucleaire obsessie zou koesteren, kunnen we dat nog afdoen als een lokale bijzonderheid. Maar nu het grote Duitsland zich aan diens zijde schaart, verspreidt de angst voor kernenergie zich over de hele Europese Unie.

We kunnen niet langer ontkennen dat kernenergie een zeer grote bron voor wederzijdse achterdocht vormt. Maar Europees toezicht op kernenergie zou niet aan politieke pressie onderworpen zijn en zou zich niet laten omkopen door energiegiganten.

Gunstig voor pleitbezorgers kernenergie

Bovendien zou deze overdracht van nationale bevoegdheden zelfs gunstig kunnen uitpakken voor de pleitbezorgers van kernenergie. Het zou namelijk vele malen moeilijker zijn om de goedkeuring van een Europese autoriteit, waarin de Duitsers vertegenwoordigd zouden kunnen zijn, aan te vechten dan de vergunningen die in de kleine Tsjechische gemeenschap van kernenergie, waarin iedereen elkaar kent, worden afgegeven.

Als we kijken naar het overzicht van Eurostat kunnen we vaststellen dat de prijzen van elektriciteit het laagst zijn in de postcommunistische landen en bij de grote exporteurs van elektriciteit (Frankrijk en Griekenland). De Tsjechen vallen in beide categorieën. Ze beschikken over goedkope steenkool en kernenergie – een erfenis van de communisten – en exporteren bijna de gehele productie [van de kerncentrale van Temelin, red.]. Toch hangt er een prijskaartje aan elektriciteit. De prijzen die de industrie betaalt, zijn het hoogst van de Europese Unie (elektriciteit is nu goedkoper in Duitsland). Duitsland is bezig om een van de modernste energieparken van Europa aan te leggen. En ČEZ [het Tsjechische staatselektriciteitsbedrijf, red.] past zijn elektriciteitsprijzen in het geniep aan die van zijn buurland aan en heeft zelfs nog niet eens serieus overwogen om vernieuwingen door te voeren.