De relevantie van een oorlog die op zijn einde loopt, wordt niet alleen afgemeten aan de militaire en politieke doeleinden die al dan niet zijn verwezenlijkt. In feite dient de oorlog, in het heetst van de strijd en te midden van het gebulder van kanonnen, ook om de krachtsverhoudingen tussen mogendheden onderling te toetsen. Een oorlog legt niet alleen de sterke en zwakke kanten van een krijgsmacht bloot, maar is ook van invloed op de diplomatieke betrekkingen van de landen die eraan meedoen. In dat opzicht kunnen we een groot aantal lessen leren uit de militaire actie in Libië.

De eerste les: de nogal ambitieuze doelen van de interventie werden met relatief bescheiden middelen verwezenlijkt. Er zijn immers geen grondtroepen naar Libië gestuurd, afgezien van de speciale eenheden en de militaire adviseurs. “Een militaire operatie die beperkt blijft tot twee onderdelen, namelijk de luchtmacht en de marine, kan dus toch voldoende effect hebben en de strategische krachtsverhoudingen ter plaatse beïnvloeden”, merkt een bron binnen de NAVO op. Daar had de Franse president Sarkozy vanaf het begin al op gegokt. “De afloop van de oorlog illustreert dat de militaire en diplomatieke keuzes van de Franse regering beslist valide waren. Alleen was het onvermijdelijk dat een dergelijke luchtaanval zonder massale steun van de Verenigde Staten langer zou gaan duren”, zegt Arnaud Danjean, voorzitter van de ondercommissie van Defensie van het Europees Parlement.

De tweede les: het feit dat de NAVO in actie kwam, een militaire organisatie die wordt gedomineerd door de VS, werd in politiek opzicht geaccepteerd door de landen in de regio. Een aantal van hen, zoals Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten, Marokko en Jordanië, heeft zelf ook een bijdrage geleverd. Aanvankelijk had Frankrijk dit anders ingeschat.

Amerikanen richten zich voortaan op het Oosten

Op diplomatiek vlak heeft de interventie in Libië een tendens bevestigd die zich al een tijdje aan het aftekenen is aan de overzijde van de Atlantische Oceaan: het Amerikaanse belang ten aanzien van Europa is langzaam naar de achtergrond aan het verdwijnen. De Amerikanen hebben hun invloed op de commandostructuren weliswaar gehandhaafd en hun bondgenoten laten beschikken over Amerikaanse bevoorradingsvliegtuigen, drones [onbemande vliegtuigen, red.] en bewakings- en inlichtingenmiddelen, maar ze trokken hun gevechtsvliegtuigen al snel terug uit de strijd. “De Verenigde Staten kunnen en willen niet langer de zorg voor elke veiligheidskwestie in de wereld op zich nemen. Hun strategische belangen zijn voortaan meer op het Oosten gericht en dat zal alleen maar sterker worden. Amerikanen willen betrouwbare partners blijven, die op hun beurt in staat zijn het initiatief te nemen in Europa”, vervolgt Arnaud Danjean.

De actie in Libië heeft nu juist aangetoond dat Europa er onder aanvoering van twee leidende landen in is geslaagd een grootscheepse militaire actie uit te voeren. Dit bewijs doet vermoeden hoe de operaties van de Europese Unie er in de toekomst uit zouden kunnen zien. Frankrijk en Groot-Brittannië, die een jaar geleden al nauwer zijn gaan samenwerken op defensiegebied, hebben hun alliantie in het luchtruim boven Libië versterkt en daarmee aangetoond dat ze zeer goede militaire bondgenoten zijn. “De samenwerking met Londen is vanaf het begin tot het eind uitstekend verlopen”, bevestigt een vertegenwoordiger bij de NAVO.

Idee Europees hoofdkwartier nieuw leven inblazen

De oorlog heeft echter ook tekortkomingen onthuld: als Europa het zonder Amerikaanse steun had willen doen, had dat alleen gekund als het een operationeel commandocentrum tot zijn beschikking had gehad. Parijs en Warschau trokken een snelle les uit de operatie in Libië en probeerden het idee van het fameuze Europese hoofdkwartier nieuw leven in te blazen. Deze poging is opnieuw op een categorische weigering van de Britten gestuit. Een Europese defensie heeft in dit opzicht niet echt een hoge vlucht kunnen nemen boven Libië, onder andere als gevolg van de terughoudendheid van de Britten en de blokkade van Berlijn.

Puur militair gezien hebben de prestaties van de multifunctionele straaljager Rafale (gebouwd door de Franse Dassaultgroep, eigenaar van de Franse krant Le Figaro) en de gevechtshelikopters een stempel gedrukt op de luchtaanvallen boven Libië. Daarbij zijn niet of nauwelijks vergissingen begaan. Dankzij “strenge regels voor de inzet, een onverbiddelijke procedure voor het bepalen van de doelen en de mobilisatie van onze capaciteiten om zeer belangrijke inlichtingen te verkrijgen”, zo luidt de verklaring bij de NAVO.

De actie in Libië levert daarnaast lessen op over de capaciteiten van het Franse leger. Daaruit blijkt een tekort aan middelen voor bevoorrading in de lucht en aan drones en antiradarraketten. Die tekorten zouden moeten worden weggewerkt om ooit zonder de hulp van de Amerikanen in actie te komen. Zouden de lessen die we uit de oorlog hebben getrokken helpen om vrede te stichten? Europarlementariër Arnaud Danjean hoopt het: “Het stevige diplomatieke spel van Frankrijk en de kennis en ervaring die we rustig hebben kunnen opbouwen tijdens de luchtaanvallen vormen een belangrijke troef. Daarmee zou Frankrijk een rol moeten kunnen spelen om de overgangsperiode te doen slagen.”