Eindelijk, zou je kunnen zeggen. Op 21 juli hebben de leiders van de eurolanden tijdens een speciale eurotop dan toch een akkoord bereikt over een plan om Griekenland uit de financiële impasse te halen en de EU te voorzien van instrumenten die moeten voorkomen dat de crisis opnieuw verergert. Eindelijk, want al maanden werd er geruzied over de hoogte van het bedrag, de in te zetten middelen en de deelnemers aan deze nieuwe redding. Veel deskundigen en politieke leiders zijn van mening dat als vanaf het begin van de crisis in Griekenland preventieve kredietlijnen waren opgesteld en garanties waren gegeven voor het opkopen van Griekse staatsobligaties, de crisis voor Griekenland minder ernstig zou zijn uitgepakt en de ondertoezichtstelling van Ierland en Portugal door de EU en het IMF wellicht voorkomen had kunnen worden. De uitkomst van de top geeft echter aanleiding tot enkele opmerkingen.

In de eerste plaats kan natuurlijk worden geconstateerd dat het plan inderdaad lang op zich heeft laten wachten, maar dat eerst alle betrokkenen op politiek, economisch en financieel terrein overtuigd moesten worden van de noodzaak te erkennen dat Griekenland een deel van zijn schuld domweg niet kan terugbetalen. Een dergelijke conclusie kan uiteraard niet lichtvaardig worden getrokken. Laten we bovendien niet vergeten dat vrijwel iedereen een jaar geleden, na de aankondiging van het eerste Grieks reddingsplan van 110 miljard en de oprichting van een Europees steunfonds van 750 miljard euro, dacht dat de eenheidsmunt gered was. Het is dus riskant om nu te beweren dat de euro definitief uit de problemen is.

In de tweede plaats kan worden opgemerkt dat Duitsland vooral door dwars te liggen in Europa zoveel gewicht in de schaal legt, niet omdat het de andere lidstaten weet mee te krijgen. Nicolas Sarkozy heeft moeten ingrijpen om een breed gedragen compromis af te dwingen en een oplossing te forceren. De relevantie van de Frans-Duitse as, die door de uitbreiding van de EU op losse schroeven was komen te staan, is onder druk van de omstandigheden weer onmisbaar geworden. Immers, het Verenigd Koninkrijk en Polen maken geen deel uit van de eurozone en kunnen dus niet deelnemen aan deze cruciale besprekingen, en Spanje en Italië, de beide andere zwaargewichten binnen de eurozone, zijn politiek en economisch dermate verzwakt dat ze geen invloed meer kunnen uitoefenen op de besluiten.

In de derde plaats moet de oplossing voor de crisis komen van federalisme, zoals velen zo vurig verlangen, wat een eerste stap zou kunnen zijn op weg naar een waarachtig economisch bestuur van Europa. Angela Merkel en Nicolas Sarkozy hebben trouwens al aangekondigd dat ze aan het eind van de zomer voorstellen in die richting zullen doen.

Het zou echter een vergissing zijn erop te rekenen dat het antwoord van de Europese instellingen komt. Natuurlijk, Europa moet zorgen voor een sterkere munt en meer evenwicht tussen de lidstaten, maar het heeft ook en vooral behoefte aan een nieuw economisch model. Omdat het alleen door welvaart te scheppen van zijn schulden afkomt. Omdat tegenover bezuinigingen, die vooral de jongeren treft omdat zij de grootste offers moeten brengen, toekomstperspectieven moeten staan. En omdat Europeanen, die zich steeds meer afkeren van de politiek, nooit warm te krijgen zullen zijn voor een plan dat uitsluitend de instellingen betreft.

Een federalistische new deal, waarom niet, maar dan wel een new deal die plaats biedt voor geavanceerde industrie, duurzame energie, onderzoek en opleiding. Dat zou het beste zijn.