Groei is niet zomaar te koop

De Europese regeringsleiders zetten in op economische groei om de scherpe kantjes van de sociale gevolgen van de bezuinigingen af te halen. Maar geld pompen in Zuid-Europese landen die geen solide economische bases hebben, is dweilen met de kraan open, meent een Zweedse columnist.

Gepubliceerd op 19 april 2012 om 14:26

Als we de plaatjes mogen geloven die de politici ons voorschotelen, zal het nieuwe Europese noodfonds dat het oude fonds vervangt, gunstige voorwaarden scheppen voor de verwachte hervormingen en economische groei in de Zuid-Europese landen. Maar deze toekomstvisie doet sterk denken aan de gemiste kansen uit het verleden. Is er iemand die gelooft dat de Europese schuldencrisis achter ons ligt?

Tot op heden hebben we alleen maar aan de rem getrokken en de symptomen van de crisis bestreden. Iedereen heeft goedschiks of kwaadschiks de broekriem aangetrokken.

Eens te meer hebben de Europese regeringsleiders gedaan wat ze het beste kunnen: tijd winnen. Zo hopen zij de economische groei te stimuleren, de enige manier om de crisis te boven te komen. Maar die groei kan alleen gerealiseerd worden als ieder land zijn steentje bijdraagt. Deze sympathieke en waarschijnlijk juiste overtuiging wordt als een leitmotiv toegepast door de belangrijkste Europese regeringsleiders.

Maar is deze ook realistisch? We krijgen soms de indruk dat de politieke klasse slechts een zeer vaag idee heeft van de manier waarop de economie nu echt functioneert in diverse landen in Oost- en Zuid-Europa, en dat termen als ‘hervormingen’ of ‘groei’ nauwelijks meer om het lijf hebben dan vage hoop of pure hersenspinsels.

Oude economie op de schroothoop gegooid

Het dilemma doet zich in het bijzonder gelden in Oost-Europa. Bij de ineenstorting van het communistische regime werd de oude economie op de schroothoop gegooid. Fabrieken werden gesloten of gingen failliet. Zowat van de ene op de andere dag werden alle producten vervangen: van tandpasta tot margarine en inlegkruisjes en van bankstellen tot auto’s.

Voor de Oost-Europese consumenten was dit een ware zegening. In een mum van tijd gingen ze van schaarste naar overvloed. Het enige probleem was dat er in het Oosten geen geld was om de producten uit het Westen te kopen. De inwoners van deze landen kregen daarom royale leningen aangeboden van de nieuwe commerciële banken die ook uit het Westen afkomstig waren. Zo ontstonden economieën die tot op de dag van vandaag doorgaans maar weinig produceren en uitsluitend berusten op de wankele basis van schuldenlasten.

Een groot gedeelte van Zuid-Europa bevindt zich in een vergelijkbare situatie. Een beperkte productie, een export die weinig voorstelt en torenhoge schuldenlasten. In Zuid-Europa heeft de invoer van de euro paradoxaal genoeg gevolgen gehad die vergelijkbaar waren met de situatie na de val van de Muur. Voor het eerst hadden deze landen namelijk toegang tot ‘echte’ financiële kredieten, die bovendien goedkoper waren, alsof de Peloponnesus of Extremadura zich in Rijnland bevonden of naast Beieren lagen.

Een dergelijke kans doet zich waarschijnlijk maar een keer in een leven voor. Tien jaar lang regende het kredieten in Zuid-Europa. Met dit geld hadden de fundamenten gelegd kunnen worden voor een economische groei die zichzelf in stand houdt – als er maar was geïnvesteerd in de infrastructuur, de hervorming van de staten, de sanering van hele sectoren van de industrie of het onderwijs. In plaats daarvan is het geld over de balk gesmeten.

Mensen creëren meer problemen dan oplossingen

Nu de oude steun plaatsmaakt voor de nieuwe steun wordt ons verteld dat we daarmee de voorwaarden kunnen scheppen die noodzakelijk zijn voor de verwachte hervormingen en de economische groei in de landen van Zuid-Europa. Maar deze kans hebben we al eens aan ons voorbij laten gaan, die ligt nu achter ons. De toekomstvisie die de Europese regeringsleiders ons nu voorspiegelen doet dan ook sprekend denken aan onze gemiste kansen in het verleden.

Mensen creëren duidelijk meer problemen dan oplossingen. Olof Palme zei dat de oplossing van een probleem – en dus de politiek – een kwestie van goede wil was. Voor Karl Marx bestond de oplossing eruit om zich ervan bewust te worden wat onmisbaar is. Vooruit dan maar. Geen van beide benaderingen is slecht. Maar waarschijnlijk was Bismarck het meest scherpzinnig door te beweren dat politiek “de kunst van het mogelijke” is en dat oplossingen dus moeten worden gezocht in dat wat materieel gezien mogelijk is om te doen. Want zelfs de gemiddelde econoom of politicus is in staat om het wonderrecept te vinden voor de economische problemen van Griekenland. De kans echter dat die recepten slagen, is net zo groot als de kans dat u een Turkse koffie in Athene kunt bestellen.

Resteert nog de vraag hoe een aantal Europese landen in de toekomst zal overleven in de huidige context van mondialisering. Niemand lijkt daarop het antwoord paraat te hebben. Het enige wat we weten, is dat we onze levenswijze radicaal moeten veranderen en dat China, veel meer dan Duitsland, debet is aan deze situatie.

Bezien vanuit Duitsland

De aarzeling van Berlijn trekt speculanten aan

In Duitsland is de crisis weer terug, althans als we de pers moeten geloven. De Financial Times begon door te onthullen dat dat een “goeroe” in de Amerikaanse financiële wereld, speculant John Paulson, op de kredietwaardigheid van Duitsland wedt, omdat hij van mening is dat de crisis zich binnenkort dusdanig uitbreidt dat Duitsland zijn AAA-status zal verliezen. Daarnaast zou de Duitse regering zich, op basis van een groeiprognose van 2% in 2013 en een dynamische arbeidsmarkt, toch nog eens moeten afvragen tot welke grens ze bereid is hulp te bieden aan de zwakste broeders in de eurozone. Dat is voor de Süddeutsche Zeitung aanleiding om te schrijven dat:

juist deze tweedeling – de grote economieën van Frankrijk, Spanje en Italië enerzijds en zwaargewicht Duitsland anderzijds – het fundamentele probleem van de euroclub illustreert: hoe kan een monetaire unie nu duurzaam functioneren als de economieën steeds verder uit elkaar drijven? Die vraag wordt al vanaf het begin gesteld, maar daar hebben de lidstaten nog steeds geen antwoord op gevonden. Dat antwoord is namelijk gekoppeld aan een ja of nee tegen de transferunie: moeten de sterke landen de zwakkere landen permanent blijven helpen om te voorkomen dat de verschillen te groot worden en de gemeenschap uiteen valt? Het hangt van het antwoord op die vraag af of Griekenland en Portugal, maar ook Spanje, lid blijven van de club. […] We moeten dus een duidelijk standpunt innemen. Met willekeurige verplichtingen zoals het euro-plus-pact of krachteloze maatregelen voor de werkgelegenheid, gaan we het namelijk niet redden.

Are you a news organisation, a business, an association or a foundation? Check out our bespoke editorial and translation services.

Ondersteun de onafhankelijke Europese journalistiek.

De Europese democratie heeft onafhankelijke media nodig. Voxeurop heeft u nodig. Sluit u bij ons aan!

Over hetzelfde onderwerp