Het Instituut Gallup WorldPoll heeft de vraag "Hoe ziet u de toekomst?" in 120 landen over de hele wereld voorgelegd aan een representatief panel. De uitkomst is schokkend voor Hongarije: dit land komt op de 117e plaats, aangezien 34,2% van de volwassen bevolking zijn situatie als "uitzichtloos" of "vrijwel uitzichtloos" beschouwt. Alleen de Zimbabwanen hebben een nog somberdere kijk op hun toekomst (40,3%). Waarom hebben de Hongaren zo weinig vertrouwen in een toekomst die nog ongewis is? En uit welke groepen bestaat deze 34%? Ik zal een poging doen ze te definiëren.

Allereerst de defaitistische Hongaren, degenen die er niet in slagen om los te komen van hun Oost-Europese mentaliteit. Het onderwijs en de media doen hier nog een schepje bovenop, zodat deze mensen ervan doordrongen zijn dat ze verliezers zijn.

De verliezers na 1989. Werklozen, mensen die met een klein pensioen of een sociale uitkering moeten rondkomen, mensen met veel kinderen en weinig inkomsten, en degenen die van de hand in de tand leven. Zij kunnen niet geloven dat een politieke verandering, in welke richting dan ook, kansen voor hen zou kunnen opleveren, al was het maar op bescheiden schaal. Om deze honderdduizenden mensen zo ver te krijgen dat ze weer in hun toekomst gaan geloven, zouden de economische situatie en de politieke en sociale realiteit in Hongarije radicaal moeten veranderen.

De slachtoffers van de economische tsunami. De Hongaarse economie is ingestort, het leven van honderdduizenden gezinnen is in gevaar, en de politici staan machteloos en zijn oneerlijk. Het is begrijpelijk dat veel mensen hun vertrouwen in de toekomst zijn kwijtgeraakt. Het beeld dat deze mensen van de toekomst hebben, zou kunnen worden opgepoetst als er economisch herstel optreedt, er meer transparantie in het openbare leven komt en de sociale onrust verdwijnt.

De mensen die zich aangetast voelen in hun gevoel van eigenwaarde, die de afgelopen twee decennia netjes hebben gewerkt, maar wier werkzaamheden niet op hun juiste waarde zijn geschat of beloond, terwijl anderen zich hebben verrijkt. En die geen hoop meer hebben op de komst van een rechtvaardige sociale orde.

De kortzichtigen, die een roemrijke ideologie nodig hadden om in de toekomst te geloven. Zij klampen zich vast aan de overblijfselen van deze ideologie en kijken verschrikt naar de chaos om hen heen. Hun geestverwanten, degenen die met oogkleppen op lopen, zowel links als rechts. Sommigen beweren dat de huidige machthebbers het land verkwanseld hebben, terwijl anderen juist zeggen dat de democratische orde na de komende verkiezingen [waarbij rechts mogelijk weer aan de macht komt] omvergeworpen zal worden. Bij gebrek aan eensgezindheid zal de Hongaarse samenleving altijd geneigd zijn tot angst of doemdenken.

Mensen met een hang naar vooruitgang. Zij hadden zich door kleine of grote denkers laten wijsmaken dat de geschiedenis van de mensheid een triomfmars naar vooruitgang was. Nu dit geloof uiteengespat is, lukt het hun niet meer om een zonnige toekomst te vinden.

Degenen die teleurgesteld zijn in de EU. In de jaren '70 en '80 dachten zij dat alle problemen in één klap opgelost zouden zijn, als Hongarije weer deel zou uitmaken van de westerse wereld. Die oplossing kwam niet. En deze mensen zijn bitter gestemd, net als een kind dat door zijn ouders teleurgesteld wordt.

Burgers met een verfijnde smaak die door Europa reizen. Eenmaal terug uit Wenen, Parijs of Londen zijn zij – terecht – ontsteld als ze zien wat er in Hongarije gebeurt. En daar word je inderdaad niet vrolijk van. Maar laten wij onze blik liever richten op een zekere graaf Széchenyi [1791-1860], die uit Londen en Wenen terugkeerde met plannen voor de Kettingbrug in Boedapest.

Mensen die aan paranoia lijden en die constant beven bij de gedachte dat a) zolang de tegenpartij aan de macht is, er geen enkele hoop is; b) de overwinning van de oppositie het land in het ongeluk zal storten. Met andere woorden: aan beide zijden zijn er mensen die geen vertrouwen hebben in de kracht van de democratie, in ieder geval niet in de democratische praktijk in Hongarije. Dit kan alleen maar worden opgelost door de democratische instellingen te versterken.

Socratisch ingestelde mensen of fijnbesnaarde geesten. Zij maken momenteel zware tijden door. De economische en politieke veranderingen voltrekken zich zo snel dat de publieke moraal het niet kan bijbenen.

Degenen die "op" zijn en voor wie twintig jaar een lange tijd was: zij hebben de kracht niet meer om in een positieve verandering te geloven.

De luilakken. Zij zien de verslechterde situatie van Hongarije en de heersende vertwijfeling als een mooi excuus om niets te doen en te klagen. Het zal hun moeite kosten het zalig nietsdoen op te geven.

De cynici. Zij constateren tot hun grote vreugde dat de feiten hun gelijk hebben bevestigd: in dit ondermaanse – althans in Hongarije – is niets zuiver, heilig of zoals het hoort. Daar kunnen wij niets aan veranderen en daar moeten wij ook niets aan veranderen. Punt uit.

Hier laat ik het bij. Want je zou dit alles kunnen wegwimpelen door te zeggen dat als deze mensen zwaarmoedig zijn, zij daar ook wel alle reden toe zullen hebben. Dat zou kunnen. Maar als je erover nadenkt, hebben zij daar dan echt evenveel reden voor als de mensen in Zimbabwe, Burundi of Togo, die iedere dag weer moeten vechten om te overleven?

En dan heb ik het nog niet over het feit dat deze epidemie van pessimisme bijzonder schadelijk is – voor ons en voor het land. Wat wij hard nodig hebben is een beetje meer vertrouwen: in onszelf, in anderen en in de wereld. Wat wij nodig hebben is het elan en de spirit van "Yes, we can".