Rwanda is een van de zwarte bladzijden in de recente geschiedenis van Frankrijk, een open wond die ideologische oorlogen voedt en scherpe veroordelingen tot gevolg heeft. Het is een favoriet onderwerp van discussie in Frankrijk waarover intellectuelen, politici en activisten elkaar om de haverklap in de haren vliegen en dat altijd draait altijd om de simpele, maar tegelijkertijd afschuwelijke vraag: was Frankrijk medeverantwoordelijk voor de genocide in Rwanda waarbij in één maand tijd achthonderdduizend doden te betreuren vielen?

We zijn inmiddels bijna achttien jaar verder, maar deze vraag blijft het onderwerp vormen van hevige controverses, wat net zoveel zegt over de politieke en intieme gevoeligheden van Frankrijk als over de Rwandese genocide in 1994 zelf.

Geen enkele andere recente gebeurtenis, zelfs Bosnië en Kosovo niet, wekt zulke tegengestelde meningen en zoveel persoonlijke haat en verbale agressie op. Waarschijnlijk moeten we daarvoor terug naar de oorlog in Algerije [de strijd van 1954 tot 1962 om onafhankelijk te worden van de Franse kolonisator, red.] – of moeten we kijken wat, in mindere mate, het verband is met de Palestijnse kwestie – om soortgelijke ernstige beschuldigingen te vinden die een dergelijke diepe scheidslijn trekken tussen twee kampen die we zouden kunnen karikaturiseren als ‘anti-Frankrijk’ versus het ‘eeuwige Frankrijk’.

Sommigen leken hun verstand verloren te hebben

De misdaad en de aantijging zijn dermate groot dat sommigen hun verstand verloren leken te hebben in hun zoektocht om de definitieve waarheid boven water te krijgen. Zo kropen journalisten en activisten van verenigingen in de huid van rechercheurs, meenden rechters historici te zijn en gingen historici prat op onderzoeksjournalistiek. Maakt Rwanda krankzinnig?

Het heeft er in ieder geval voor gezorgd dat er ernstige fouten zijn gemaakt, gezien het feit dat bepaalde mensen de historische waarheid overeen wilden laten stemmen met hun persoonlijke overtuigingen, wat bij sommigen tot een obsessie heeft geleid. Hoewel de kwestie van de Franse ‘medeplichtigheid’ aan de genocide de ware kern van deze hevige controverse vormt, heeft deze al lange tijd geleden geleid tot een andere essentiële vraag – die spectaculair is, maar tegelijkertijd buitengewoon simplificerend – met betrekking tot de genocide zelf, namelijk wie op 6 april 1994 het vliegtuig van de Rwandese president Juvénal Habyarimana, een Hutu, heeft neergehaald. Alsof deze gebeurtenis, die door sommigen als ‘de aanleiding’ werd bestempeld, uiteindelijk zelfs belangrijker is dan de genocide zelf.

Het gerechtelijke onderzoek naar deze vliegtuigcrash, die het begin van de genocide op de Tutsi’s inluidde, werd geleid door de Franse rechter Marc Trévidic en heeft onlangs een onvoorziene wending genomen die wellicht van doorslaggevende betekenis zal zijn. In 2006 had onderzoeksrechter Jean-Louis Bruguière, die nimmer een voet in Rwanda had gezet, Paul Kagamé, de rebellenleider van de Tutsi’s die destijds vanuit Oeganda opereerde en momenteel president is van Rwanda, aangewezen als de dader van de aanslag. Maar een recent onderzoek dat in Kigali plaatsvond onder leiding van rechter Trévidic, die Jean-Louis Bruguière was opgevolgd, lijkt met de beschuldigende vinger naar de tegenpartij te wijzen.

Volgens zijn onderzoeksrapport dat op 10 januari van dit jaar openbaar is gemaakt, zouden Hutu-extremisten hun eigen president hebben vermoord, omdat hij ervan werd verdacht onder één hoedje te spelen met de tegenpartij tijdens een top in Arusha (Tanzania) waarvandaan hij op die 6 april terugkeerde.

Massamoord op de achtergrond geraakt

Beide gerechtelijke ‘waarheden’ die regelrecht tegenover elkaar staan en door dezelfde procedure vastgesteld lijken te zijn, weerspiegelen de tegenstrijdige posities die door beide kampen in het publieke debat in Frankrijk ingenomen worden.

De controverse heeft ook betrekking op de vraag of er een verband is tussen de aanslag en de volkerenmoord. Vreemd genoeg is de massamoord op achthonderdduizend mensen bijna op de achtergrond geraakt door de focus op een vliegtuigcrash die het leven heeft gekost aan twaalf mensen. Hoewel de historici hebben vastgesteld dat de uitroeiing van de Tutsi-minderheid was voorbereid (opstellen van lijsten, oproepen over de radio tot uitroeiing en de vorming van extremistische Hutu-milities – de Interahamwe – die een hoofdrol in de genocide hebben gespeeld), neigen de aanhangers van Bruguière ernaar om de aanslag op het presidentsvliegtuig als de essentiële en zelfs enige oorzaak van de massamoorden te zien die ‘als reactie’ daarop zouden zijn aangevangen.

Gaandeweg heeft het mysterie rondom de aanslag de plaats ingenomen van het mysterie rondom de daders van de genocide. Degenen die weigeren om Frankrijk als medeverantwoordelijk te zien, zijn overtuigd van de schuld van Paul Kagamé in de moord op de president en wijzen hem dan ook aan als de verantwoordelijke van de genocide op zijn eigen volk. De huidige president zou de Tutsi’s van binnenuit hebben opgeofferd om aan de macht te komen, zoals rechter Bruguière uiteen heeft gezet in zijn beschikking van november 2006, waarin hij buiten het gerechtelijke kader trad en een historische analyse gaf die veel weg had van een pamflet.

Twee kampen die lijnrecht tegenover elkaar lijken te staan

De Franse officieren die in Rwanda gelegerd waren en hun handlangers in de politiek en media, zoals Bernard Debré, Hubert Védrine en Pierre Péan, hebben geen goed woord over voor het huidige regime van Kagamé. Zij konden het dan ook nauwelijks waarderen dat de Franse president Nicolas Sarkozy, onder druk van zijn minister van Buitenlandse Zaken Bernard Kouchner, in februari 2010 in Kigali de banden met Kagamé aanhaalde en “beoordelingsfouten en politieke vergissingen” erkende.

Deze twee ‘versies van de geschiedenis’ hebben geleid tot twee kampen die lijnrecht tegenover elkaar staan en elk een eigen visie hebben op de rol en plaats die Frankrijk in Afrika, in de wereld en in de geschiedenis inneemt. Voor zover een vergelijking mogelijk is, doet de Rwandese zaak denken aan de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Beide gevallen werpen vergelijkbare vraagstukken op: het verband tussen de republikeinse staat en het leger; de eufemistische omschrijving van een ware koloniale oorlog als 'operaties om de orde te handhaven' (Algerije) of als 'steun aan een bevriend regime dat door rebellen wordt aangevallen' (Rwanda) en de rivaliteit met de Britten op het Afrikaanse continent, bekend onder het ‘Fashoda-syndroom’ dat zijn naam heeft gekregen van het diplomatieke incident dat zich in 1898 in Fashoda in Soedan heeft afgespeeld en beschouwd wordt als het symbool van de vernedering van Frankrijk door Groot-Brittannië.

Beide gebeurtenissen zijn immense menselijke tragedies en hebben daarnaast met elkaar gemeen dat ze allebei op een fiasco zijn uitgelopen, doordat Frankrijk zeer veel invloed verloor in een van zijn strategische regio’s.

Controverses weerspiegelen voorkeur voor simpele 'waarheden'

Met andere woorden, de tegenstanders van Kagamé symboliseren de voorvechters van een beschaafd Frankrijk dat niets te verwijten valt, te kampen had met Brits imperialisme en een speciale missie in Afrika te verrichten had. Degenen die menen dat Frankrijk medeverantwoordelijk is voor de Rwandese genocide, leggen daarentegen de nadruk op het feit dat het Franse leger een traditie heeft van het neerslaan van opstanden, van Indo-China, via Algerije en Kameroen tot Rwanda, maar ook op de grote inschikkelijkheid van zijn politieke elites ten aanzien van het Franse koloniale verleden of zijn hedendaagse equivalent ‘Françafrique’ [de neokoloniale betrekkingen van Frankrijk met Afrika, red.].

Deze controverses weerspiegelen een bepaalde voorkeur, zelfs onder de elites, voor simpele ‘waarheden’. Maar deze chaotische situatie is ook grotendeels te wijten aan de dwalingen van het gerechtelijke onderzoek naar de aanslag in Kigali. Het is dus te hopen dat rechter Trévidic ten aanzien van dit punt tot een wetenschappelijke waarheid zal komen. De vraag is of dat voldoende zal zijn om Frankrijk, zijn politici en zijn leger vrij te pleiten van een plicht tot transparantie over dat andere ‘verleden waar het mee worstelt’.