De Franse presidentsverkiezingen hebben een glimp laten zien van een Europa in revolutionaire stemming. Toch zou het een vergissing zijn tot de slotsom te komen dat de Vijfde Republiek op het punt staat een revolutionaire president te kiezen.

De Europese democratie kent een nieuw organiserend principe. De burgers kunnen nog steeds van tijd tot tijd andere leiders kiezen, maar louter op basis van het uitgangspunt dat verkiezingen geen koersverandering inluiden. Links of rechts, binnen of buiten de euro: de heersende elites zweren bij het altaar van de bezuinigingen. Regeringen mogen hier en daar de nadruk wat verleggen, niemand durft de leer van de begrotingsdiscipline openlijk te tarten.

Het gevoel van onmacht dat dit teweegbrengt, heeft de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen zijn revolutionaire smaak gegeven. Dat bijna een vijfde van de kiezers zijn stem uitbracht op Marine le Pen van het Front National en ruim 10 procent op Jean-Luc Mélenchon van het Linkse Front, spreekt boekdelen over de diepte van de nationale frustratie. Dit laat weer eens zien hoe goed populisme en xenofobie gedijen in tijden van depressie.

De Fransen zijn niet de enigen. In Hongarije staat Viktor Orbán aan het hoofd van een rechts-nationalistische regering die de rechtsstaat heeft vertrapt in een poging een permante politieke hegemonie te vestigen. Populistisch rechts is in opmars in de kleinere landen van Noord-Europa, getuige de zogenoemde 'Echte Finnen' in Finland en de PVV van Geert Wilders. In Nederland en elders is de scepsis over Europa en de euro ook doorgedrongen tot het banier van de hard-linkse partijen.

Diepe persoonlijke animositeit

Maar de keuze die Frankrijk dit weekeinde moet maken bij de tweede ronde van de presidentsverkiezingen is er één die ons bekender voorkomt, hoewel we door de campagneretoriek soms vergeten hoe weinig er eigenlijk te kiezen is.

François Hollande, de leider van de Socialistische Partij, is een conservatief met een kleine 'c,' die het Europese sociale model van na de oorlog weer in ere wil herstellen. Ook de gooi van Nicolas Sarkozy naar een tweede termijn als president is doordrongen van nostalgie. Sarkozy belooft Frankrijk te zullen terugvoeren naar de tijden van grootsheid onder president De Gaulle. De opvallendste indruk die na het televisiedebat tussen de twee kandidaten van deze week is blijven hangen, is die van een diepe persoonlijke animositeit, en niet zozeer die van een grote politieke kloof.

Als er geen gekke dingen gebeuren, staat de overwinnig van Hollande al bijna vast; niet omdat hij zoveel gevoelens van warmte en respect bij het Franse volk heeft losgemaakt, maar omdat Sarkozy dat respect is verloren. De omschrijvingen die het meest van toepassing zijn op Hollande zijn 'pragmatisch,' 'behoedzaam' en 'kleurloos.' Wanneer ging een presidentskandidaat voor het laatst op campagne met de leus dat hij maar 'een gewone man' is?

Hoe gevaarlijk wil je het precies hebben?

Buiten Frankrijk is Hollande echter uitgegroeid tot een soort boeman. De Duitse bondskanselier Angela Merkel ziet Sarkozy niet bepaald als een 'soul mate,' maar zij zou hebben gezegd dat ze vreest dat het een 'nachtmerrie' zal zijn om zaken te doen met Hollande. De Britse premier David Cameron kon het niet laten om de socialistische leider de les te lezen toen deze Londen een paar weken geleden bezocht.

Het invloedrijke weekblad The Economist heeft op zijn omslag gezet dat Hollande 'gevaarlijk' is – maar voegde daar uit goede Britse gewoonte het nuancerende woordje 'rather' (nogal) aan toe. De presidentskandidaat, zo merkte het tijdschrift op, “gelooft werkelijk (mijn arcering) in de noodzaak van het scheppen van een eerlijker samenleving”. Hoe gevaarlijk wil je het precies hebben?

Dergelijke alarmkreten berusten op een paar merkwaardige veronderstellingen: dat de lessen van het recente verleden uitwijzen dat overheden zich nooit met de markten moeten bemoeien, en dat de huidige economische strategie van Europa een doorslaand succes is geweest als het gaat om het herstel van de staatsfinanciën en de economische groei.

Ik had verwacht dat ook de meest fervente pleitbezorgers van de vrije markt door de mondiale crisis wel opmerkzaam zouden zijn gemaakt op de gevaren van een onbelemmerd financieel kapitalisme. En met betrekking tot de uniforme soberheidsdwang beginnen nu zelfs sommige Duitse beleidsmakers zich af te vragen of een gezond economisch beleid niet méér zou moeten inhouden dan louter bezuinigingen en belastingverhogingen.

Andere kijk op de politieke geografie van het continent

Een eventuele president Hollande zou hoe dan ook met stevige beperkingen worden geconfronteerd. De obligatiemarkten zullen iedere onbezonnen poging om de groei aan te jagen afstraffen. En een belangrijker rem op deze pogingen komt voort uit het Franse zelfbeeld. De met zware schuldenlasten kampende Zuid-Europese landen zien een socialistisch Frankrijk misschien als een sterke bondgenoot. Maar Hollande deelt met zijn voorgangers in het Franse presidentiële paleis een heel andere kijk op de politieke geografie van het continent.

Frankrijk zal vasthouden aan zijn claim een Europees leider te zijn – en bovenal aan de schijn van gelijkwaardigheid met Berlijn als het gaat om het vormgeven van de Europese toekomst. François Mitterrand begreep dertig jaar geleden al dat er aan zulke pretenties een prijskaartje hangt, toen hij koos voor het beleid van een sterke frank (franc fort). Als puntje bij paaltje komt, stelt Duitsland de economische regels vast.

Hollande heeft één of twee krankzinnige ideeën. Het invoeren van een belastingtarief voor de rijken van 75% kan het linkse geweten sussen, maar zal economisch niets uithalen.

Dit wil niet zeggen dat hij de heersende orthodoxie niet zou mogen of moeten uitdagen. Economische groei is geen linkse gedachte – vraag dat maar aan Mario Monti, de technocratische premier van Italië. De plannen van Monti voor economische liberalisering en het terugdringen van het begrotingstekort hangen vooral af van het vinden van een uitweg uit de stagnatie.

Het werkelijk 'gevaarlijke' idee in het hedendaagse Europa is niet de oproep tot een debat over groei, maar de veronderstelling dat de zaken eenvoudig zo kunnen blijven als ze zijn. Er moet een brug worden geslagen tussen het bestrijden van de recessie en het terugdringen van de begrotingstekorten. Als dat niet gebeurt, riskeert het continent inderdaad een revolutie, al is dat nog niet meteen in Frankrijk.