Het epicentrum van deze uiterst complexe situatie, veroorzaakt door de rampzalige Israëlische aanval tegen het konvooi met pro-Palestijnse activisten die onderweg waren naar de Gazastrook, bestaat niet alleen uit de disproportionele, abnormale initiatieven van een zeer strijdvaardige rechtse Israëlische regering. De kern van het probleem – eerder historisch dan korte-termijn-politiek – bevindt zich in het grootste en machtigste land van het Midden-Oosten, Turkije. Het konvooi was voor een groot deel vertrokken vanaf de Turkse en Cyprische kust.

De organisatie en financiering was hoofdzakelijk in handen van de fundamentalistische Turkse NGO “IHH”. Het vlaggenschip van de expeditie voer onder Turkse vlag, de ongeveer honderd activisten en de negen door de speciale Israëlische eenheden gedode slachtoffers waren voornamelijk Turken. Er wordt nu beweerd dat na bijna 60 jaar economische, politieke en zelfs militaire allianties, deze aanval het begin van een oorlog tussen Israël en Turkije inhoudt.

In werkelijkheid was deze eerder het meest zichtbare en stuitendste hoogtepunt, weliswaar indirect, van de al lang dalende curve van de betrekkingen tussen Ankara en de staat Israël, zijn buurman, maar eveneens met het hele Westen. We zijn nu getuige van een land dat zich losmaakt van de Atlantische wereld, een sterk, vitaal land met 80 miljoen inwoners, dat decennialang het Oosterse bastion van de NAVO is geweest en waarvan het leger wordt beschouwd als het op een na sterkste, na dat van de Verenigde Staten.

Het versluierde spel van Erdogan is moeilijker geworden

De langzame metamorfose en de terugkeer naar de islam van de Turkse natie, die technisch gesproken door Kemal Atatürk na de Eerste Wereldoorlog geëuropeaniseerd en gedeconfessionaliseerd was, is in 1989 begonnen tegelijkertijd met de val van het communisme en het einde van de koude oorlog. De ontbinding van de elkaar rivaliserende blokken heeft voor Ankara opnieuw perspectief geboden, -een zowel onverwacht als voorouderlijk perspectief- op het vestigen van zijn hegemonie in de Kaukasus, Azerbeidzjan en de Islamitische republieken van de voormalige USSR.

De toenadering met Syrië en de in eerste instantie voorzichtige, later overduidelijke banden met Iran hebben vervolgens deze soort psychologische, politieke en religieuze ontwikkeling voltooid, die loopt van een onvoltooide europeanisering tot het versterken van de erfelijke banden met Azië. Dit spel is, alhoewel voorzichtig en versluierd gespeeld, moeilijker geworden met de komst in 2002 van de gematigde islamitische Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij (APK) geleid door de slimme, arrogante Recep Tayyip Erdoğan en zijn partijgenoot Abdullah Gül, tegenwoordig respectievelijk regeringshoofd en staatshoofd.

Erdoğan is onmiddellijk lange, moeizame onderhandelingen begonnen over toetreding van Turkije tot de Europese Unie, waar de Amerikanen – in tegenstelling tot veel Europeanen – gunstig tegenover stonden, want ze zagen daarin een garantie voor het behoud van banden met de NAVO. Maar het was eveneens het begin van een wel heel dubbelzinnig loven en bieden. Het was niet erg duidelijk waar Erdoğan en zijn partij met het postmoderne Turkije heen wilden.

Terwijl de dikwijls opgehitste Anatolische volken zich lieten hypnotiseren door min of meer fundamentalistische sirenen, gaf Erdoğan in Brussel op een paar punten toe en deed talloze beloften over kwesties inzake burgerrechten die tegen de nationale en nationalistische traditie indruisten: afschaffing van de doodstraf, opschorting van overspel als strafbaar feit, lief doen tegen de Koerden, en een uitgestrekte hand naar de Armeense christenen die vechten voor de nagedachtenis van de genocide.

Het onthoofde europeanisme van de wereldlijke junta

Erdoğan en Gül, die zich in het openbaar lieten zien samen met hun streng gesluierde echtgenoten, maakten de indruk niet zozeer een toenadering met Europa te willen, maar eerder van Europa gebruik te willen maken om zich te ontdoen van de historische, parallelle macht die de Kemalisten sinds 1920 hebben in Turkse instellingen en maatschappij door te refereren aan Europese bepalingen en eisen. De commissarissen en afgevaardigden in Brussel, die maar al te graag een kortzichtig overdreven democratisch moralisme uitdroegen, hadden de neiging slechts een kaste te zien in de militairen en magistraten die in de jaren 1980 met staatsgrepen vage, arglistige parlementaire dwalingen hadden doorbroken door militaire regeringen te installeren, telkens voor korte tijd als overgang.

Voor Erdoğan was het noodzakelijk om met harde hand toe te slaan en hun rol als vrijwaarder en bewaker van de niet-kerkelijke erfenis van Mustafa Kemal in te dammen om Turkije gedeeltelijk te heraziatiseren en er weer het leidende moslimland van de regio van te maken. Hij heeft vaak slim gebruik gemaakt van Europese regels om het Europeanisme van de wereldlijke junta te onthoofden. Het is geen toeval dat hij op 22 februari veertig hoge legerleiders heeft laten arresteren, waarvan veertien militairen met een zeer hoge rang.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Erdoğan zich heeft aangesloten bij de activisten op het vlaggenschip van het pacifistische konvooi en de Israëlische aanval heeft veroordeeld als “piraterij” en “staatsterrorisme”.