De Europese Unie kampt al lange tijd met een de legitimiteit van de EU te verbeteren? Europese leiders zouden haast moeten maken met de inrichting van een bankenunie, om het financiële systeem te versterken; Duitsland zou de vraag moeten stimuleren, waardoor de Zuid-Europese economieën worden geholpen om te groeien; en structurele hervormingen zouden de concurrentiekracht van deze economieën moeten herstellen. Daarna zou de werkloosheid gaan dalen, zouden de Europese leiders een competentere indruk maken en zou de steun voor eurosceptici en populisten vervliegen.

Maar de leiders van de EU moeten de macht ook een grotere verantwoordingsplicht geven. Voor veel leden van het Europees Parlement is de oplossing simpel: als er besluiten worden genomen op het niveau van de unie, moet het Europees Parlement de democratische controle uitoefenen. En als er meer besluiten op het niveau van de unie worden genomen, vinden zij dat het parlement daar meer over te zeggen zou moeten krijgen.

Maar het parlement is er – ondanks het goede werk op het gebied van bepaalde wetgeving – niet in geslaagd veel mensen ervan te overtuigen dat het hun belangen vertegenwoordigt. Veel leden van het Europees Parlement hebben weinig banden met de nationale politieke systemen. Een groot deel van de tijd lijkt de prioriteit van het parlement er vooral in te zijn gelegen de eigen bevoegdheden uit te breiden. Het wil steevast een ruimere EU-begroting en een grotere rol voor de EU, maar er zijn weinig aanwijzingen dat veel kiezers er ook zo over denken. Dit kan verklaren waarom – ook al zijn de bevoegdheden van het parlement gestaag gegroeid sinds de eerste rechtstreekse verkiezingen in 1979 – de opkomst bij iedere volgende verkiezing is gedaald (van 63 procent in 1979 naar 43 procent in 2009).

Cruciale rol

Een andere reden waarom het Europees Parlement niet de voornaamste democratische controle op het besluitvormingsproces van de eurozone kan uitoefenen, is dat het grootste deel van het geld voor de steunoperaties van nationale parlementen afkomstig is en niet uit de EU-begroting. Het is waar dat besluiten over steunoperaties en de voorwaarden die eraan worden gekoppeld op het niveau van de EU worden genomen, door de regeringshoofden of ministers van Financiën.

Maar hun besluiten moeten worden uitgevoerd door de nationale parlementen, die daarom zowel in de donor- als in de ontvangstlanden een cruciale rol spelen: de Bundestag moest het geld voor de Cypriotische steunoperatie goedkeuren, terwijl het parlement van Cyprus moest stemmen over het saneren van de banken van het eiland.

Louter consultatief

Dit zijn allemaal redenen om de betrokkenheid van nationale parlementariërs bij het bestuur van de eurozone uit te breiden. De afgelopen jaren zijn in diverse 'interparlementaire' lichamen leden van nationale parlementen en europarlementariërs samengebracht. En het recente fiscale stabiliteitsverdrag voorzag in de oprichting van een 'conferentie' voor nationale en europarlementariërs, om het economisch beleid te bespreken. Maar deze bijeenkomsten, hoe nuttig misschien ook, zijn louter consultatief van aard en geven nationale parlementsleden niet genoeg zeggenschap in de EU.

Nationale parlementariërs zouden de EU op twee manieren tot meer verantwoordingsplicht kunnen dwingen. In de eerste plaats kunnen de banden tussen de nationale parlementen worden aangehaald. Het Verdrag van Lissabon heeft de procedure van de 'gele kaart' ingevoerd, die inhoudt dat als een derde of meer van de nationale parlementen menen dat een voorstel van de Commissie in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel – het idee dat beslissingen op het laagst mogelijke niveau moeten worden genomen – zij mogen eisen dat voorstel in te trekken. De Commissie moet dit dan doen óf rechtvaardigen waarom zij haar plannen toch wil doorzetten.

Rode kaart

Deze procedure, die tot nu toe slechts éénmaal is toegepast, zou een 'rode kaart'-procedure kunnen worden die nationale parlementen de mogelijkheid kan geven de Commissie te dwingen een voorstel in te trekken. Het feit dat de Britse minister van Buitenlandse Zaken William Hague en zijn schaduw Douglas Alexander dit idee hebben gelanceerd mag geen beletsel zijn om het serieus te overwegen. Een soortgelijk systeem zou nationale parlementen in staat kunnen stellen om gezamenlijk de Commissie te vragen een overbodige wet in te trekken.

In de tweede plaats moet in Brussel een nationaal parlementair forum worden opgericht. In plaats van het wetgevende werk van het Europees Parlement te kopiëren, zou het vragen moeten kunnen stellen en rapporten moeten kunnen schrijven over aspecten van het bestuur van de EU en de eurozone, waarbij sprake is van unanieme besluitvorming.

Legitimiteit die europarlementariërs missen

Het forum zou de Europese Raad moeten kunnen controleren en besluiten op het gebied van het buitenlands beleid en de defensie ter discussie moeten kunnen stellen, of op het gebied van de politie en de terrorismebestrijding. Als het over de eurozone gaat zou het nieuwe lichaam in kleinere samenstelling bijeen moeten kunnen komen, zonder de parlementariërs van lidstaten die niet tot de eurozone behoren, om over de steunpakketten te stemmen.

Het zou ook vragen moeten kunnen stellen aan de voorzitter van de eurogroep en hem of haar misschien zelfs moeten kunnen benoemen. Op de langere termijn zullen de nationale parlementariërs meer betrokken moeten raken bij de EU, omdat zij een legitimiteit inbrengen die de europarlementariërs zelf soms missen.