We zijn hypocriet. We moedigen de dappere Tunesiërs en Egyptenaren aan, nu zij de revolutionaire macht van de straat hebben ontdekt. Afblijven, roepen we. Laat ze het op hun eigen manier doen. Het heeft lang geduurd, maar laat het volk zelf de klus klaren. Dat zal ze sterker maken.

Deze volmacht hebben we de Irakezen of Afghanen niet gegeven. We meenden dat wij konden dicteren hoe zij moesten worden geregeerd. We beschuldigden hun leiders van misdaden en besloten ze allemaal te straffen met duizenden doden tot gevolg. We ontwierpen een 'vrijheidsagenda' en bombardeerden de boel.

"Kruistocht voor democratie"

Hosni Mubarak van Egypte is ook een soort Saddam Hussein, een seculiere dictator die met ijzeren hand over een moslimland heerst en daarbij steunt op een machtige vriendenkliek. Samen bestelen ze het volk. Ons wordt verteld dat er goede strategische redenen bestonden om hem te steunen – zoals die er ook ooit waren om de Ba'ath-partij, Assad van Syrië en Saddam zelf in het zadel te houden.

Er waren soortgelijke redenen om de Ben Ali-dynastie in Tunesië en "de goede vriend van Groot-Brittannië", de misdadige kolonel Khadafi uit Libië, te helpen. Allemaal wierpen ze zogenaamd een bolwerk op tegen het moslimextremisme, een monster waarvan de Amerikanen en Britten kregen ingeprent dat ze er een ziekelijke, allesbeheersende angst voor moesten koesteren die veel geld zou kosten. Kennelijk geldt dat nu niet langer voor Egypte.

In werkelijkheid bestaat er niet zoiets als een ethisch buitenlands beleid. Enerzijds is er een filosofisch begrip als ethiek en anderzijds een pragmatisch begrip als buitenlands beleid. De kunst van de diplomatie is om tussen beide te laveren. De "kruistocht voor democratie" van Blair en Bush slaagde daar niet in. Die werd geïnspireerd door de gevaarlijkste drijfveer in de politiek, namelijk godsdienstige ijver.

Wat in Egypte gebeurt, is beslist een feest voor iedereen die burgerlijke vrijheden hoog in het vaandel heeft staan. Dat gold ook voor de Rozenrevolutie in Georgië, de Oranjerevolutie in Oekraïne, de Saffraanrevolutie in Birma, de Groene Revolutie in Iran en de Jasmijnrevolutie in Tunesië. In elk van deze gevallen kwam het volk in opstand en gaf het uiting aan zijn diepgewortelde afkeer van de dictatuur.

Tot het uiterste getergd, grepen de mensen de laatste mogelijkheid die voor autonome individuen nog openstond, aan en gingen de straat op. De uitkomst hing af van het gevoel van veiligheid en het zelfvertrouwen van het regime en van de mate waarin het regime controle over het leger kon houden. Zelden speelde de goedkeuring of hulp van buitenstaanders een rol. Tijdens een nationale crisis kun je een opstand namelijk het best bestrijden door te zeggen dat er buitenlandse belangen achter zitten. Dat was zeker het geval in Iran.

Ingrijpen zou van dwaasheid getuigen

Wij westerlingen beleven het ontstaan van onze eigen democratie als het ware opnieuw wanneer we beelden van revoluties zien. Zij herinneren er ons soms fijntjes aan dat een groot deel van de wereld de weg naar vrije verkiezingen, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging en vergadering nog moet vinden. Maar het zijn ook de politieke tegenhangers van een aardbeving of overstroming. Deze mensen hebben vast ons advies, onze steun of toch op zijn minst onze rechtstreekse reportages nodig. Onze handen beginnen te jeuken: we moeten ingrijpen.

Groot-Brittannië, dat wat betreft Egypte ervaring heeft met onbeholpen manoeuvreren, deed afgelopen weekend een duit in het zakje. Het ministerie van Buitenlandse Zaken zei: "Wij willen niet dat Egypte in de handen van extremisten valt (…) We willen een ordelijke overgang naar vrije en eerlijke verkiezingen en meer vrijheid en democratie in Egypte." Wie kan het schelen wat Groot-Brittannië in Egypte 'wil'? Groot-Brittannië draagt niet langer verantwoording voor Egypte, als dat al ooit het geval was.

Ingrijpen zou echter van dwaasheid getuigen. Ik durf te stellen dat als het westen zich niet met Irak of Afghanistan had bemoeid, het Irakese volk inmiddels zelf wel een manier zou hebben gevonden om zich van Saddam te ontdoen. De Irakezen of het leger zouden hebben gedaan wat de Tunesiërs en Egyptenaren op dit moment doen, met veel minder verlies van levens, ontreddering en chaos. De Taliban zouden zich naar hun Pakistaanse broodheren in Islamabad hebben gevoegd. De Afghanen zouden uitsluitend voor zichzelf een bedreiging vormen en voor niemand anders.

Moslimstaten die worstelen met uitbarstingen van zelfbeschikking

Tijdens de strijd die de geschiedenisboekjes zal ingaan als de 11 september-oorlogen, zijn er onnoemelijk veel meer mensen omgekomen dan op 11 september zelf. Deze strijd heeft de westerse belastingbetalers miljarden gekost. Met dat geld hadden ziekte en honger in de wereld sterk kunnen worden teruggedrongen. Vanuit een soort paranoia die aan heersers eigen is, hebben Amerikaanse en Britse regeringen de dreiging van de moslimwereld schromelijk overdreven.

Ver van hun eigen land pleegden ze interventies, bewerkten ze regeringswisselingen en probeerden ze vervolgens de betrokken staat weer op te bouwen. Deze campagne was onbeholpen en heeft zelfs contraproductief gewerkt. Bovendien was zij in strijd met het in het Handvest van de Verenigde Naties vastgelegde beginsel over zelfbeschikking.

Egypte, Tunesië, Iran en Pakistan zijn allemaal moslimstaten die worstelen met uitbarstingen van zelfbeschikking. De enige bijdrage die het westen heeft geleverd, is dat het twee van hun buren, Irak en Afghanistan, in een bloedbad van onveiligheid en chaos heeft gestort. Dit is niet ons continent, dit zijn niet onze landen en wat daar gebeurt, gaat ons niets aan. We moeten ze met rust laten.