Silvio Berlusconi heeft veel om zich vrolijk over te maken. Op zijn 74e bezit hij een media-imperium dat hem de rijkste man van Italië maakt. Hij domineerde de politiek sinds 1994 en is nu de langstzittende premier van Italië sinds Mussolini. Hij overleefde ontelbare voorspellingen van zijn op handen zijnde vertrek. Maar ondanks zijn persoonlijke successen was hij een ramp als nationale leider – en wel om drie redenen.

Twee daarvan zijn algemeen bekend. De eerste is het sensationele verhaal over zijn ‘bunga bunga-seksfeesten’, waarvan eentje zelfs heeft geleid tot het weinig verheffende spektakel van een premier die in Milaan voor de rechtbank moet verschijnen vanwege betaalde seks met een minderjarige. Het proces Rubygate besmeurde niet alleen Berlusconi, maar ook zijn land.

Hoe beschamend het seksschandaal ook mocht zijn, het had slechts beperkte gevolgen voor Berlusconi's optreden als politicus. Maar ook van zijn tweede fout, zijn financiële streken, maakten wij al veelvuldig gewag. In de afgelopen jaren werd hij al meer dan twaalf keer aangeklaagd wegens fraude, valsheid in geschrifte of omkoping. In een aantal zaken werd hij veroordeeld, maar werden de vonnissen opgeschort omdat de ingewikkelde procedures ertoe leidden dat rechtszaken onderbroken werden vanwege nieuwe maatregelen – ten minste twee keer werd de wet door Berlusconi zelf aangepast.

Maar inmiddels is het duidelijk dat noch spannende seks, noch zijn twijfelachtige zakelijke verleden de belangrijkste redenen zijn waarom de Italianen Berlusconi terugkijkend beschouwen als een rampzalige en zelfs kwaadaardige mislukking. Veruit het ergst was zijn derde gebrek: zijn totale desinteresse in de economische situatie van zijn land. Misschien was hij afgeleid door zijn juridische verwikkelingen, maar in de afgelopen negen jaar als premier is hij er niet in geslaagd om de ernstige economische zwakke punten van Italië op te lossen of zelfs maar te erkennen. Hij zal dan ook een land achterlaten waarvan de situatie niet bepaald rooskleurig is.

Een chronische ziekte, geen acute aandoening

Die meedogenloze conclusie zou eurocrisis-experts wel eens kunnen verrassen. Dankzij het strakke fiscale beleid van Berlusconi's minister van Financiën, Giulio Tremonti, heeft Italië tot nu toe immers weten te ontsnappen aan de toorn van de markt. Ierland, en niet Italië, is de I in de PIGS-landen (samen met Portugal, Griekenland en Spanje). Italië vermeed een vastgoedzeepbel en de banken gingen er niet failliet. De werkgelegenheid bleef behouden: de werkloosheid bedraagt er 8 procent vergeleken met 20 procent in Spanje. Het begrotingstekort zal in 2011 4 procent van het bbp zijn, tegen 6 procent in Frankrijk.

Toch zijn deze geruststellende cijfers misleidend. De Italiaanse economische malaise is niet van het acute type, maar meer een chronische ziekte die de vitaliteit langzaam wegvreet. Wanneer de Europese economieën krimpen, krimpt die van Italië meer; wanneer ze groeien, groeit die van Italië minder. Alleen Zimbabwe en Haïti hadden een bbp dat minder hard groeide in het decennium tot aan 2010. In feite ging het bbp per hoofd van de bevolking in Italië erop achteruit. Een gebrek aan groei betekent dat de staatsschuld, ondanks minister Tremonti, nog steeds 120 procent van het bbp bedraagt, en daarmee 's werelds derde grootste is. In het licht van de snelle vergrijzing van de Italiaanse bevolking is dit des te zorgwekkender.

Een lage gemiddelde werkloosheid houdt bepaalde scherpe afwijkingen verborgen. Een kwart van de jongeren – en nog veel meer in het arme zuiden – is werkloos. De deelname van vrouwen aan het arbeidsproces is 46 procent, het laagste in West-Europa. Een mix van lage productiviteit en hoge lonen tast het concurrentievermogen aan. Italië staat op de 80e plaats in de index Doing Business van de Wereldbank, achter Wit-Rusland en Mongolië, en staat 48e op de ranglijst voor concurrentievermogen van het Economisch Wereldforum, achter Indonesië en Barbados.

Mario Draghi, vertrekkend directeur van de Italiaanse nationale bank, wond er onlangs geen doekjes om in zijn keiharde afscheidsspeech (voordat hij de teugels van de Europese Centrale Bank zal overnemen). Hij hekelde de stagnerende productiviteit en het overheidsbeleid "waarbij het aan moed ontbreekt en dat de ontwikkeling [van Italië, red.] vaak belemmert".

Al deze dingen beginnen de terecht vermaarde Italiaanse kwaliteit van leven aan te tasten. De infrastructuur raakt in het slop. De openbare dienstverlening is aan het eind van zijn Latijn. Het milieu lijdt. Netto-inkomens stagneren, in het beste geval. Ambitieuze Italiaanse jongeren verlaten hun land en masse, waardoor de macht in handen van een oude elite blijft die niet meer van deze tijd is. Slechts weinig Europeanen minachten hun verwende politici zo erg als de Italianen.

Eppur si muove

Toen wij het gedrag van Berlusconi voor het eerst aan de kaak stelden, antwoordden veel Italiaanse zakenlui dat alleen zijn kwajongensachtige, ondernemende brutaliteit een kans bood om de economie te moderniseren. Nu hoor je daar niemand meer over. In plaats daarvan wordt er gezegd dat het zijn schuld niet is, maar dat van zijn onverbeterlijke land.

Toch is het besef dat verandering onmogelijk is niet alleen defaitistisch maar ook verkeerd. In het midden van de jaren negentig slaagden de opeenvolgende Italiaanse regeringen, die alles op alles zetten om maar niet van de euro te worden uitgesloten, een aantal indrukwekkende hervormingen door te voeren. Zelfs Berlusconi lukte het bij tijd en wijle om tussen de rechtszaken door wat liberaliseringsmaatregelen te nemen. Hij zou echter veel meer hebben kunnen doen als hij zijn enorme macht en populariteit had ingezet voor andere zaken dan alleen voor de bescherming van zijn eigen belangen. Ondernemend Italië zal een hoge prijs betalen voor zijn pleziertjes.

En als Berlusconi's opvolgers nou net zo onachtzaam zijn als hij? De eurocrisis dwingt Griekenland, Portugal en Spanje ertoe gigantische hervormingen door te voeren, ondanks de hevige protesten. Op korte termijn zal dat pijn doen; op de lange termijn zouden ze de economieën van de perifere landen nieuwe energie moeten geven. Sommige landen willen hun schuldenlast terugdringen door herstructurering. Een onveranderd en stagnerend Italië, met een staatsschuld die op meer dan 120 procent van het bbp blijft steken zou zichzelf dan bekend zien staan als hekkensluiter van de eurozone. De boosdoener? Berlusconi, die ook dan ongetwijfeld nog steeds lacht.