De dodelijke aanslag op de redactie van het Franse satirische blad Charlie Hebdo zou een veroordeling van de daden en solidariteit met de slachtoffers moeten ontlokken, maar zou bovenal het geschikte moment moeten zijn om moed te verzamelen teneinde na te denken, schrijft de Sloveense filosoof Slavoj Žižek in The New Statesman.

Žižek betoogt dat ”de gebeurtenis een nauwgezette religieuze en politieke agenda volgde en in deze was het dus duidelijk onderdeel van een breder patroon.” ”Maar,” zegt Žižek, ”de terreur is niet gebaseerd op een superioriteitsgevoel van de terroristen en hun wens om hun cultureel-religieuze identiteit te vrijwaren van de woeste aanval van de mondiale consumptie beschaving.”

Waar het [moslimfundamentalisten, red.] duidelijk aan ontbreekt is een eigenschap die eenvoudig is te onderscheiden bij andere authentieke fundamentalisten, van Tibetaanse boeddhisten tot de Amish in de VS: de afwezigheid van rancune en vijandigheid, de oprechte onverschilligheid jegens de manier van leven van de ongelovige. […] Het probleem met fundamentalisten is niet dat wij hen beschouwen als inferieur aan ons, maar het is eerder zo dat zij zichzelf heimelijk als inferieur beschouwen. Dit is waarom onze aanmatigende, politiek correcte verzekering dat wij geen superioriteitsgevoel jegens hen koesteren, hun woede en rancune alleen maar vergroot. Het probleem is niet een culturele kloof (hun poging om hun identiteit te beschermen), maar het tegenovergestelde feit dat de fundamentalisten al zijn zoals wij, dat zij heimelijk zich reeds onze standaarden eigen hebben gemaakt en zichzelf daaraan de maat nemen.

Islamofascisme

Die rancune is belangrijk in Žižeks opvatting waarin fundamentalisme een reactie is – een foutieve en raadselachtige weliswaar – tegen een werkelijke tekortkoming van het liberalisme, dat aan zichzelf overgelaten, zonder de hulp van een nieuw radicaal links, voortdurend fundamentalisme zal genereren en zichzelf zal ondermijnen.

De recente wisselvalligheid van moslimfundamentalisme bevestigt Walter Benjamins oude inzicht dat ”elke opkomst van fascisme getuigt van een mislukte revolutie”: de toename van fascisme is de tekortkoming van links, maar is tegelijkertijd het bewijs dat er een revolutionair potentieel en ongenoegen was dat links niet kon mobiliseren. Geldt vandaag de dag niet hetzelfde in verband met het zogenoemde 'islamofascisme'? Is de toename van moslimfundamentalisme niet exact correlatief aan het verdwijnen van seculier links in moslimlanden?

Vertaald door Emiel van den Toorn.