“Joegonostalgie” heeft de toekomst

De volkeren van het voormalige Joegoslavië zijn weliswaar verscheurd door de oorlogen van het begin van de jaren negentig, maar hebben de culturele banden die tussen hen bestaan nooit helemaal doorgeknipt. De politieke leiders beginnen, gestimuleerd door Europa, dit voorbeeld nu ook te volgen.

Gepubliceerd op 22 oktober 2009 om 15:14
 | Pozarevac (Servië), 29 november 2005 : de winnaressen van de wedstrijd "Miss Bondgenoot", georganiseerd ter ere van de Joegoslavische nationale feestdag (AFP)

Op de internationale boekenbeurs in 1999 in Frankfurt wekte de stand “Groep 99” de nieuwsgierigheid van de bezoekers. Achter deze namen bleken alle schrijvers van het voormalige Joegoslavië schuil te gaan. Tien jaar later staan brandweermannen van beide zijden van de grens gebroederlijk branden te blussen en doen ondernemers zaken over de grenzen. Is dit een opleving van Joegoslavië? Of op zijn minst een soort Joegonostalgie?

Velen verloren door de oorlog in Joegoslavië niet alleen hun dierbaren en hun huizen, maar ook hun identiteit. Dat was aan het begin van de jaren negentig het lot van mensen die zich “Joegoslavisch” noemden, geen zeldzaamheid in die tijd. Vooral kinderen van gemengde ouders hadden de grootste moeite hun plaats te vinden in de nieuwe grenzen. Een deel van hen koos ervoor om te vertrekken. De bekende Bulgaars-Kroatische schrijfster en essayiste Dubravka Ugrešić is hiervan het beste voorbeeld. “De heks van Zagreb” werd vanwege haar kritiek op het nationalisme van de eerste president van Kroatië, Franjo Tudjman, al snel een paria in de Kroatische maatschappij. Na een opeenstapeling van problemen verliet ze het land en sinds een aantal jaar geeft ze les in Amsterdam.

Tito is nog steeds geliefd

Het begrip “Joegonostalgie” dat door Ugrešić werd geïntroduceerd en in het midden van de jaren negatieve een negatieve bijbetekenis had, geniet vandaag de dag een zekere populariteit. In alle voormalige staten zijn uitingen van Joegonostalgie zichtbaar. Op de muren van woningen in Belgrado staat geschreven “Tito kom terug, we zullen je alles vergeven,” ook al bevinden de ferventste aanhangers van de maarschalk zich niet in Servië maar in Bosnië-Herzegovina. Bovendien zijn in deze regio de laatste jaren maar liefst drie films over Tito – twee Servische en één Kroatische – uitgekomen.

Er zullen wel heel wat jaren overheen gaan voordat de wonden geheeld zijn en de schade van de oorlog is hersteld. Maar we zien nu al een sterke opmars van politieke gebaren die dit proces van herstel kunnen bevorderen. Zo heeft de president van Servië, Boris Tadić, de Kroaten om vergiffenis gevraagd voor de oorlogsmisdrijven. Ook Servië heeft het boetekleed aangetrokken voor de misdrijven in Bosnië-Herzegovina. De verzoening wordt ook gestimuleerd door de samenwerking met het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. Door het uitleveren van hun oorlogsmisdadigers, die in hun thuisland vaak als helden worden gezien (zoals de Kroatische generaal Ante Gotovina en de Servische ex-president Slobodan Milošević) hebben Belgrado, Zagreb en Sarajevo de eerste stappen gezet op de weg naar verzoening.

"Jullie moeten gaan samenwerken"

De samenwerking tussen Belgrado en Zagreb wordt steeds intensiever; ook tussen Servië en Macedonië is dit proces al een tijdje aan de gang. Zelfs de afscheiding van Montenegro heeft de traditionele banden tussen Belgrado en Podgorica niet afgezwakt. Onder de landen van het voormalige Joegoslavië zorgen de grootste conflictrelaties over de grenzenkwestie voor verdeeldheid in Kroatië en Slovenië en zijn de onderhandelingen tussen Zagreb en Brussel over de toetreding tot de EU in een impasse gekomen. Tijdens bilaterale vergaderingen met de lokale bestuurders laten de Europese diplomaten niets aan duidelijkheid te wensen over: “Jullie moeten gaan samenwerken.” Anders is lidmaatschap van de EU niet mogelijk.

Op cultureel gebied is echter niets meer onmogelijk. Zelfs tijdens de verschrikkingen en verwoestingen van de oorlog luisterden de inwoners van het voormalige Joegoslavië naar dezelfde muziek. Ceca Ražnatović, een Servische megaster van turbofolk (een mix van traditionele volksdeuntjes op een stevige beat) en weduwe van de oorlogsmisdadiger Arkan’ Ražnatović, is het merkwaardigste voorbeeld van deze trend. In Bosnië gingen honderdduizenden cd’s van Ceca over de toonbank terwijl de militie van Arkan tegelijkertijd de gruwelijkste misdaden beging. Goran Bregović is een ander, minder controversieel symbool van deze verzoening. Bregović, geboren in Sarajevo uit een Kroatische vader en een Servische moeder (hij is getrouwd met een Bosnische moslima) was tijdens de gloriejaren van Joegoslavië leider van de beroemde band Bijelo Dugme (“witte knoop”). Een aantal jaar geleden zijn de bandleden weer bij elkaar gekomen en hebben toen in een soort triomftoernee alle voormalige Joegoslavische staten aangedaan. Het culturele festival EXIT van Novi Sad in Servië brengt elk jaar duizenden jongeren uit heel ex-Joegoslavië op de been.

In het buitenland is deze vertrouwelijkheid nog wel het best zichtbaar. In Brussel, Parijs en Warschau wordt in Balkanrestaurants geen enkel onderscheid gemaakt tussen ex-Joegoslaven. In Brussel zoeken journalisten uit de landen van het voormalige Joegoslavië elkaar altijd op bij persconferenties. Ook al lijkt het nu nog wat voorbarig te zijn, de weg naar de “ex-Joegoslavische” verzoening loopt via de EU.

SERvië-KOSOVO

De weg naar verzoening spreekt niet voor zich

De weg naar verzoening van de volkeren uit het voormalige Joegoslavië lijkt nog lang te zijn, als we Trouw moeten geloven. Het dagblad interviewt twee studenten – de één Kosovaar, de ander Servisch – en concludeert dat ze ondanks hun wens tot toenadering “faliekant van mening verschillen over heikele kwesties als nationalisme, de Kosovo-Oorlog en de daarin begane misdaden”. De Serviër Naim Leo Besiri (22) en de Kosovaar Vigan Limani (18) doen mee aan een uitwisselingsprogramma dat door een Nederlandse vredesorganisatie op poten is gezet, met als doel begrip te kweken en kennis overdragen over elkaars geschiedenis en Europa. Vigan vertelt dat hij meedoet omdat hij benieuwd was “hoe Servische leeftijdgenoten tegen Kosovo aankijken” want “eigenlijk weten we niets van elkaar. Maar of we willen of niet, we hebben wel een gezamenlijke geschiedenis”. Naim “wil een barstje slaan in de hoofden van [Servische] leerlingen die doordrenkt worden met nationalisme. Dan zullen ze wellicht hun onderwijzers en ouders kritisch bevragen”.

Are you a news organisation, a business, an association or a foundation? Check out our bespoke editorial and translation services.

Ondersteun de onafhankelijke Europese journalistiek.

De Europese democratie heeft onafhankelijke media nodig. Voxeurop heeft u nodig. Sluit u bij ons aan!

Over hetzelfde onderwerp