Laten we het fenomeen ‘misverstand’ eens nader bekijken. Meestal wordt een misverstand beschouwd als iets rottigs, een verraderlijke worm die de vrucht van de communicatie bederft. Maar bij nader inzien beseffen we dat een misverstand een kans is, net zoals een vergissing de kans van de kennis is, omdat die ervoor zorgt dat we bij onszelf terugkeren, onszelf verbeteren en zo vooruitgang boeken. Als alles wat we zeggen meteen ‘goed wordt begrepen’, en als we elkaar telkens ‘helemaal snappen’, hoeven we maar één keer met elkaar te praten, want daarna zouden we elkaar niets meer te zeggen hebben. Voor talen geldt feitelijk hetzelfde. Er bestaan zo’n 6.000 talen in de wereld, waarvan sommige nauw met elkaar verwant zijn, maar andere volstrekt vreemd voor elkaar, zelfs lichtjaren van elkaar verwijderd. Daarom zijn we geneigd te denken dat als er slechts één duidelijke, perfecte taal zou bestaan, waarin we zaken nauwkeurig zouden kunnen weergeven en waarbij iedereen elkaar zonder moeite zou kunnen verstaan, we met zijn allen aan een drama als Babel hadden kunnen ontsnappen, maar ook aan de diaspora en aan de ellende van het overgeleverd zijn aan verraderlijke vertalingen. Nou, nee dus. Zo’n unieke taal, ingegeven door de illusie van de oertaal (Ursprache), "dezelfde taal die God en Adam spraken in het Paradijs" – zou dodelijk saai zijn, iedere vorm van uitwisseling in de kiem smoren, en het aantal "potentieel van betekenissen" aanzienlijk verminderen.

Lang leve Babel dus, lang leve de zonde van de menselijke ambitie, die mensen er destijds toe bracht een toren te bouwen tot aan de hemel, waarvoor ze door God werden gestraft, veroordeeld tot de diaspora en tot een aantal verschillende talen – want deze vloek is een manna.

François Ost, filosoof en jurist, professor in Genève en plaatsvervangend rector van de universiteit in Brussel, verdedigt juist deze stelling in zijn indrukwekkende boek Traduire (“Vertalen”, Fayard), waarvan de ondertitel al duidelijk de richting aangeeft: 'Pleidooi voor meertaligheid'. In dit boek mist geen enkele referentie, geen voetnoot, zelfs geen argument (het enige dat ontbreekt is een index van namen). Het is een zeer rechtlijnig betoog, waarin Ost weliswaar mensen aanhaalt als Merleau-Ponty, Quine of Wittgenstein, Eco, Benveniste of Antoine Berman, maar absoluut niet met de bedoeling om zich uitsluitend te richten tot deskundigen op het gebied van de filosofie, de semiotiek of de lexicologie. Integendeel. Uiteindelijk is zijn betoog politiek van aard: Europa denkt in meerdere talen, de taal van Europa is de vertaling, en Europa zou in politiek en cultureel opzicht zichzelf ernstig te kort doen als het zich zou onderwerpen aan de hegemonie van "global English" oftewel "globish". François Ost begint met het analyseren van de mythe die aan de basis ligt van de torens van Babel: twintig zinnen uit Genesis (XI, 1-9), negen verzen "onweerlegbaar als een novelle van Kafka, ondoorgrondelijk als de poëzie van Borges", die aanleiding zijn geweest voor een eindeloze stroom literatuur. Hij buigt zich eerst over ‘de omzetting van tekst naar vertelling’, situeert het geheel in de algemene opzet van het boek Genesis, vestigt de aandacht op het complexe netwerk van thema’s die het geheel vormen, haalt de historische lagen uit zijn geschrift en plaatst vervolgens kanttekeningen bij haast ieder woord, terwijl hij tegelijkertijd sommige Franse vertalingen en de voornaamste interpretaties vergelijkt.

Zo ontwaart hij in plaats van het 'Babylonisch model' dat in vele culturen nog steeds wordt gevoed, "het ontstaan van een paradigma van de vertaling, afgestemd op een maatschappij die zichzelf ziet als een netwerk van en communicatiestromen".

Het boek Traduire is voornamelijk gewijd aan de verkenning van dit nieuwe model, dat ons dwingt om "over taal en vertaling als één te denken'"op uiteenlopende terreinen, zoals het interdisciplinaire karakter van de wetenschap, de dialoog tussen religies, filosofieën, internationaal recht en nationale wetgeving, de burgermaatschappij en zijn politieke vertegenwoordigers...). Ost onderzoekt de "denkbeeldige grondslagen, de historische omwegen, de conceptuele grenzen, de taalkundige vooronderstellingen, de morele gevolgen en de politieke voorwaarden voor de uitvoering". Het resultaat is een heuse ode aan de meertaligheid en aan de "taalgastvrijheid" van vertalingen – "volwaardige geschriften"die vindingrijk zijn, waarbij eerst wordt geopereerd in het centrum van elke taal zelf voordat er aan de grenzen wordt gewerkt en die, van het "onvertaalbare" dat als hindernis wordt gepresenteerd, hun ‘werktuig’ maken, waarmee juist de voorwaarden worden gecreëerd voor mogelijkheden.

Natuurlijk staat vertalen gelijk aan het plegen van verraad, maar dit verraad vormt, net als het misverstand, de beste garantie voor een voortzetting van de vertaling, de discussie, de uitwisseling, de 'gespreksgedachte'. "Als een vertaling volledig geslaagd zou moeten zijn, duikt het spookbeeld van de unieke taal meteen weer op en dan zouden de torens opnieuw gaan wankelen". Dit keer niet alleen in Babel, maar overal.