Een van de stereotypen van de Europese politiek is het 'zwarte' beeld van de Balkan: het 'kruitvat' van Zuidoost-Europa, een onrustbarende verzameling van onverzoenbare nationaliteiten, intolerantie en geweld; Kosovo, het economische verval, het fundamentalisme enzovoort. Alle fouten van het premoderne tijdperk, het totalitarisme en de anti-Europese gezindheid lijken zich op te stapelen in een sukkelende regio die verraderlijk staat te dringen aan de randen van de Westerse beschaving. Het is vanuit het oogpunt van ontwikkelde landen lastig te zeggen wat de hoogste prijs met zich meebrengt: proberen een achterlopende regio economisch te integreren en zo een terugval te voorkomen, of de regio aan zijn lot overlaten en later misschien worden gedwongen tot hoge militaire uitgaven om de hieruit voorvloeiende crisis op te lossen.

Het offerlam van de ondankbare Westerse beschaving

Enkele Balkan-landen die zich aan dit beeld ergeren, proberen zich los te maken van hun geografische locatie: Kroatië en Slovenië proberen toenadering te zoeken tot Midden-Europa. Roemenië, dat ten noorden van de Donau ligt, gedraagt zich soms, misschien enigszins terecht, als lokale 'scheidsrechter' en plaatst zich daarbij buiten de regio. Andere landen die geen geldig argument kunnen vinden waarom ze niet tot de Balkan zouden behoren, proberen zich te redden door een soort utopisch 'Balkan-wonder' op te bouwen. Zodoende wordt het sombere portret vervangen door een euforisch beeld: de Balkan-landen zijn de wieg van Europa (hier ligt de oorsprong van haar naam, die door de Grieken is bedacht), de Balkan-landen zijn het peper en zout van het continent, de Europese kweekvijver voor authenticiteit en traditie. Het oude Griekenland en Byzantium worden aangeroepen als bouwstenen op basis waarvan ze zijn ontstaan. Naast hun grote bijdrage aan de oprichting van Europa wijzen de Balkan-landen op hun lijdensweg. De Balkan-landen zijn het slachtoffer van de Westerse politiek, het offerlam, de zondebokken van de ondankbare Westerse beschaving, die per slot van rekening slechts bestaat dankzij het Oosterse 'bolwerk'.

De trots van de Balkan-landen biedt echter amper een oplossing voor de doorlopend spanningen in de regio. Elk Balkan-land beschouwt zich als de 'echte' kern van de Balkan. Zodoende is een felle strijd om het leiderschap ontstaan, een soms aandoenlijk en dan weer bespottelijk aandoende, ijdele hunkering naar identiteit. Om alles nog ingewikkelder te maken komt hierbij het beeld dat de Europese Unie heeft van de Balkan. Europa zou welwillend, rechtvaardig en 'politiek correct' willen zijn, maar beperkt zich vaak tot een louter kwantitatieve analyse, vooroordelen en een belerende toon.

Brussel heeft geen tijd om de Balkan te begrijpen en geen geduld om te luisteren

Brussel heeft geen tijd om de Balkan te begrijpen en geen geduld om te luisteren. Europa gedraagt zich veel te paternalistisch ("wij weten beter dan jullie wat goed voor jullie is") of juist weer zo hoffelijk en vriendelijk dat het tegenovergestelde wordt bereikt ("we willen jullie niet de les lezen, we hebben het recht niet om jullie wat dan ook op te leggen"). In het eerste geval wordt de lokale trots gekrenkt, in het tweede geval wordt een steriele zelfgenoegzaamheid gestimuleerd. Hieruit blijkt dat het net zo lastig is om te helpen als om hulp te accepteren. De Europese 'kern' slaagt er nog niet in om het cliché over de Balkan, de pejoratieve lading van een geografische aanduiding, te vervangen door grondige kennis van de regio. Als we deze regio willen 'redden' om onszelf te beschermen tegen eventuele complicaties langs de grenzen, zullen we nooit weten wat we nu eigenlijk precies redden. We moeten ons dus de volgende vraag stellen: waarom verdienen de landen van deze regio om te worden gered, welke Europese waarden gaan verloren als een ongefundeerd Balkan-beleid mislukt? Zonder dit perspectief blijft de Balkan, zoals een van de landen opmerkte, "een hel die is geplaveid met de slechte bedoelingen van de grootmachten".