Europese droom heeft geen bestaansrecht meer

Het vrije en solidaire Europa waar onderdrukte volkeren van droomden, is niet meer. Mensen lijden wellicht aan geheugenverlies, maar ook de recessie, het faillissement van de elite en onderlinge verdeeldheid zijn hier debet aan. En de politiek leiders durven dat niet toe te geven, constateert de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev.

Gepubliceerd op 25 april 2013 om 16:15

De Europese Unie (EU) bestaat niet meer, in ieder geval niet zoals wij haar kenden. En de vraag die nu moet worden gesteld is niet wat ervan de nieuwe EU zal worden, maar waarom dit Europa waar wij van hebben gedroomd, niet meer bestaat. Het antwoord is eenvoudig: de pijlers die zijn gebruikt voor de opbouw en die het bestaan van de Europese Unie rechtvaardigden, zijn ingestort.

Ten eerste, de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Een jaar geleden werden de conclusies van een onderzoek onder Duitse middelbare scholieren in de leeftijdscategorie van 14-16 jaar bekend gemaakt. Daaruit bleek dat een derde van deze jongeren niet wist wie Hitler was en veertig procent van hen was ervan overtuigd dat de mensenrechten door alle Duitse regeringen vanaf 1933 in dezelfde mate waren gerespecteerd.

Geloof in betere toekomst is verdwenen

Dat wil absoluut niet zeggen dat er nostalgie bestaat naar het fascisme in Duitsland. Nee, het wil alleen zeggen dat wij te maken hebben met een generatie die geen idee heeft van dit verleden. Het is een illusie om heden ten dage te blijven denken dat de oorlog nog steeds de basis vormt voor de legitimiteit van de EU.

Het tweede element dat de geopolitieke vorming van de EU heeft mogelijk gemaakt, is de Koude Oorlog. Maar die is voorbij. Tegenwoordig heeft de EU geen dergelijke vijand meer als de Sovjet-Unie (het zou ook niet meer kunnen) die haar bestaan zou kunnen rechtvaardigen. Kortom, het in herinnering roepen van de Koude Oorlog kan op geen enkele manier de legitimiteitsproblemen van de EU oplossen.

De derde pijler is de welvaart. De EU blijft een rijk gebied, een heel rijk gebied – zelfs als dat voor landen als Bulgarije niet geldt. Daarentegen denkt zestig procent van de Europeanen dat hun kinderen het minder goed zullen hebben dan zijzelf. Vanuit dit standpunt gezien is het probleem niet hoe wij nu leven, maar wat voor leven we in de toekomst zullen hebben. Het positieve vooruitzicht, het geloof in een betere toekomst als krachtige legitimiteitsbron is dus volkomen verdwenen.

EU is een elitaire project

Een andere pijler voor legitimiteit was de convergentie: het proces waardoor arme landen die zich bij de EU aansluiten de zekerheid hebben dat ze geleidelijk aan zich bij de club van de rijke landen kunnen aansluiten. Enkele jaren geleden kon dat nog met cijfers worden onderbouwd. Maar als we de economische prognoses voor de komende tien jaar mogen geloven, dan zal een land als Griekenland in vergelijking met Duitsland nog altijd even arm zijn als op de dag dat het zich bij de EU aansloot.

Iedereen zegt dat het probleem van de EU is dat het een elitair project is. Dat is waar. Het probleem is niet dat deze elites anti-Europees zijn geworden, maar dat zij in landelijk gevoerde discussies geen enkel gewicht meer in de schaal leggen. En dat deze elites diep van binnen allemaal voor een verenigd Europa zijn, heeft geen enkele betekenis. Want niemand luistert naar ze, ze staan te ver van de mensen af.

EU-politici kunnen niet nog erger zijn

Als we de sociologische onderzoeken onder de loep nemen, kunnen we constateren dat de legitimiteit van de EU in het Zuiden en het Noorden van het continent op geheel andere gronden is gestoeld. In landen als Duitsland en Zweden hebben de mensen vertrouwen in de EU omdat ze ook geloven in de oprechtheid van hun eigen regeringen.

In Italië, Bulgarije en Griekenland hebben de mensen geen vertrouwen in hun politici en dat is de reden waarom ze wel in de EU geloven. Hun logica? Zelfs als we ze niet kennen, kunnen de politici in Brussel niet nóg erger zijn dan die van ons. En het lijkt mij dat zelfs dit gevoel nu aan het verdwijnen is: de laatste crisis is het bewijs dat ook dit vertrouwen is aangetast.

En om te besluiten, de laatste pijler: de verzorgingsstaat. Zonder twijfel vormt het bestaan van een sterke sociale staat onderdeel van de identiteit van de EU. De vraag of zo’n staat een goede of slechte zaak is, hoeft niet te worden gesteld. Wel of het nog haalbaar is in een tijd van globalisering en grote demografische veranderingen in Europa.

Europeanen verdwijnen

Het probleem is dat wij, de Europeanen, als sneeuw voor de zon verdwijnen. In 2060 zal 12 procent van de Europese bevolking ouder dan tachtig jaar zijn. Europa vergrijst. En het is geen toeval dat op het internationale strijdtoneel de EU zich vaak als een seniele gepensioneerde gedraagt. Van wie moeten we geld lenen om deze voor senioren onmisbare welvaartsstaat op peil te houden? Van de toekomstige generaties? Maar dat is reeds gebeurd met de vorming van de enorme staatsschuld.

Een ander gevolg van de crisis is de nieuwe verdeeldheid op het continent. In de EU is er geen scheiding meer tussen West en Oost. Er zijn nieuwe, grotere kloven voor teruggekomen. De eerste is die tussen de landen in de eurozone en de andere EU-landen. Vaak als er gesproken wordt over de EU, hebben de Fransen, Duitsers en Spanjaarden het in werkelijkheid over de eurozone. Dit onderscheid lijkt misschien niet belangrijk, maar strategisch belangrijke landen als Zweden, Polen en het Verenigd Koninkrijk behoren niet tot de zone.

Gijzelaar van de eurozone

Een andere belangrijke kloof bestaat er tussen de landen die geld uitlenen en landen die geld ontvangen. Toen Griekenland een referendum over de redding van het land wilde organiseren, kwam Berlijn met de volgende afwijzing: “Dus eigenlijk willen jullie een referendum over ons geld organiseren!” Deze opmerking was niet helemaal ongerechtvaardigd. Geen enkel land zou gijzelaar van de eurozone moeten zijn. Maar dat krijg je nu als je wél een gezamenlijke munt hebt, maar geen gezamenlijk beleid.

Hoe uit de crisis te komen? Als we de EU van dichtbij bekijken, zien we dat sommige landen zich in een crisis bevinden en andere niet (of er in ieder geval minder last van hebben). Bovendien heeft de crisis in een aantal gevallen ook positieve effecten op bepaalde praktijken gehad.

Winnaars en verliezers

Vanuit dit oogpunt is het belangrijkste probleem van alle politiek dat het winnaars en verliezers creëert, maar dat hebben de heren politici goed voor zich weten te houden. Terwijl het probleem helemaal niet is dat er winnaars en verliezers zijn, die zijn er altijd. De vraag is hoe je de één kan compenseren en aan de andere kan uitleggen dat het voor hun eigen belang is om een bepaald beleid te voeren.

En wij, wij blijven maar denken dat er een beleid bestaat dat alleen maar winnaars oplevert. In de huidige staat van de EU is dat een vrome wens want het natuurlijke schema van solidariteit dat op nationale schaal bestaat, is er nog niet op Europese schaal. Bovendien hebben de EU-landen niet allemaal dezelfde geschiedenis of taal. Als we het over “ons” hebben in Europees verband, over wie hebben we het dan? Wil de EU goed gaan functioneren, dan is het absoluut noodzakelijk dat er allereerst een definitie komt van het Europese “wij”.

Are you a news organisation, a business, an association or a foundation? Check out our bespoke editorial and translation services.

Ondersteun de onafhankelijke Europese journalistiek.

De Europese democratie heeft onafhankelijke media nodig. Voxeurop heeft u nodig. Sluit u bij ons aan!

Over hetzelfde onderwerp