Vergeet Odyssey Dawn, de naam die door het computersysteem van het Pentagon quasi willekeurig is toegewezen aan de Amerikaanse bijdrage aan de militaire campagne in Libië. Ellamy, onze codenaam voor de Britse betrokkenheid, is evenmin nog relevant. De campagne in Libië zou eigenlijk ‘De oorlog die niemand wil leiden’ moeten heten.

We zijn pas vier dagen in oorlog, maar binnen de leiding van de coalitie is al ernstige verdeeldheid ontstaan over hoe het nu verder moet. Het is logisch dat Barack Obama niet staat te trappelen om een leidende rol te spelen in een conflict waar hij buiten wilde blijven. Dit is een oorlog die Amerika niet wilde.

Groot-Brittannië en Frankrijk hebben er alles aan gedaan om internationale steun te verwerven voor een no-fly zone. Als Londen en Parijs er zo op gebrand zijn om Khadaffi aan te pakken, waarom nemen ze dan de leiding van de campagne niet op zich? Tenslotte hebben de Britse en de Franse regering pas eind vorig jaar een nieuw militair samenwerkingsverdrag ondertekend, waarbij is overeengekomen dat beide landen in militaire kwesties vaker gezamenlijk zullen optreden. De Fransen gingen er zelfs mee akkoord dat wij gebruik mochten maken van hun vliegdekschepen, gesteld natuurlijk dat we daarvoor de vliegtuigen zouden hebben.

Onmiskenbaar gebrek aan militaire capaciteit

Het eerste probleem waar Europa zich voor ziet geplaatst als het gaat om het leiden van onafhankelijke operaties, is een onmiskenbaar gebrek aan militaire capaciteit. Toen de VN begin jaren 90 een no-fly zone instelden tegen Irak, vloog de RAF gemiddeld één gevechtsmissie terwijl de Amerikaanse luchtmacht er vijf vlogen. De Fransen vlogen helemaal niet, aangezien hun Mirage-straaljagers met hetzelfde radarsysteem waren uitgerust als de vliegtuigen die ze aan Saddam Hoessein hadden verkocht en ze dus het risico liepen door de Amerikanen uit de lucht geschoten te worden.

Twee decennia later nemen de Amerikanen nog steeds het leeuwendeel van de gevechtsoperaties voor hun rekening. Van de ongeveer honderd missies die zijn uitgevoerd sinds de VN eind vorige week instemden met militaire actie, kan tenminste de helft op naam van de VS worden geschreven. De Britten en Fransen deden de rest. Tot nu toe vonden alle gevechtsoperaties plaats onder Amerikaans commando en werden de openingssalvo’s van de coalitie geleid door generaal Carter Ham.

Libië is echter niet te vergelijken met recente gezamenlijke campagnes in Kosovo, Irak of Afghanistan. Dit keer kunnen Obama en zijn generaals nauwelijks wachten op een gelegenheid om de verantwoordelijkheid voor de missie aan een ander over te dragen. Zoals een hoge Amerikaanse officier gisteren tegen me zei: “De Europeanen wilden de no-fly zone, dan moeten ze ook de leiding nemen.

Het enige probleem hierbij is dat ‘de Europeanen’, zoals zo vaak als het gaat om belangrijke veiligheidskwesties, het domweg niet eens kunnen worden over wie de leiding moet hebben.

Duitsland kan met Turkije het verschil maken

Om te beginnen hebben niet alle Europese leiders ingestemd met het instellen van een no-fly zone. Militaire interventie was eerder het geesteskind van David Cameron en Nicolas Sarkozy dan een geducht Europees initiatief. De incapabele barones Ashton, Europese goeroe voor buitenlandse zaken, gaf blijk van haar diplomatieke naïviteit door zich aan de zijde van de Duitsers te scharen en tegen een no-fly zone te stemmen.

Tussen Londen en Parijs ontstonden spanningen toen de Fransen met hun karakteristieke bravoure zaterdagmiddag de luchtaanvallen op Khadaffi’s strijdkrachten openden zonder de NAVO-bondgenoten te informeren. De Fransen hebben er altijd al moeite mee gehad om orders aan te nemen van Amerikaanse generaals, wat Sarkozy ook beweert over het achter zich laten van de historische Franse ambivalentie ten opzichte van de NAVO.

Niettemin is het Franse unilateralisme niet onze grootste zorg. Waar generaal Carter duidelijk heeft gemaakt dat hij de leiding van de Libische missie binnen enkele dagen wil overdragen aan de NAVO, werkt de opstelling van de Duitsers gedurende de hele onderneming als een 'drijfanker', zoals een diplomaat het uitdrukte.

We weten uit bittere ervaring in Afghanistan welke schade kan worden aangericht als individuele landen erop staan hun eigen voorbehoud te maken als het erom gaat wat hun strijdkrachten wel en niet is toegestaan bij militaire operaties. Zo verlaat in Kabul naar schatting slechts 10 procent van de in Afghanistan gelegerde Duitse manschappen nu en dan de compound, zo bang is Berlijn dat hun leven gevaar loopt bij een confrontatie met de Taliban.

Dit keer kunnen de Duitsers dergelijke restricties niet opleggen, aangezien ze niet van plan zijn hun Eurofighters in te zetten om de Typhoons van de RAF (ook Eurofighters overigens) bij te staan tijdens de bombardementsmissies op Khadaffi’s strijdkrachten. Samen met de Turken kunnen ze echter wel zorgen voor een commandostructuur en afspraken voor de NAVO-luchtmacht die de coalitie beletten het doel van de missie te bereiken. Als dat gebeurt, kan ernstig worden getwijfeld aan Europa’s vermogen om op eigen kracht een oorlog te leiden.