Laten we eens de proef op de som nemen. Welke politicus uit de periode van de Eerste Republiek kunt u zich nog herinneren? Of uit de duistere periode van het communisme en die van het begin van de jaren 90? Meestal worden dan vooral Masaryk, Beneš, Gottwald, Husák en Havel genoemd, allemaal presidenten dus. Ondanks het feit dat het politieke systeem in het voormalige Tsjecho-Slowakije en het latere Tsjechië geen presidentieel stelsel is (ook al hebben de communisten er een beetje een potje van gemaakt).

De rol die onze staatshoofden de afgelopen honderd jaar hebben gespeeld is veel belangrijker geweest dan die waarop ze volgens de grondwet aanspraak konden maken. Vooral de mensen die de presidentsverkiezingen van secundair belang vinden, zouden dat aspect voor ogen moeten houden.

De eerste helft van de 20e eeuw geeft ons veel inzichten. Tsjecho-Slowakije wilde graag de republiek van Masaryk zijn [president van 1918-1935] of van Beneš [1935-1948], maar daar is uiteindelijk weinig van terechtgekomen. Masaryk en Beneš waren weliswaar in veel opzichten uitzonderlijke staatsmannen, maar hun aanzien leidde in feite tot een vertekend beeld van de staat.

Semipresidentieel stelsel

Het verhinderde bovendien de oprichting van functionerende, noodzakelijke instellingen die ook na de dood van hun oprichters nog hadden kunnen voortbestaan. Na het verlies van Masaryk was de republiek plotseling enorm verzwakt, alsof ze meteen ook haar roer was kwijtgeraakt. Edvard Beneš nam het stokje over op een moment dat hij geen werkelijke invloed meer kon uitoefenen op de toekomst van zijn land.

Wat de tweede helft van de 20e eeuw betreft is het interessanter om de situatie vanaf de jaren 90 te bekijken, aangezien communistische presidenten altijd de instrumenten zijn geweest van de communistische macht in plaats van vertegenwoordigers van het volk. Laten we in elk geval niet vergeten dat Klement Gottwald [1948-1953] het belangrijker vond om president te zijn dan premier. Hij wist zeker dat de publieke opinie het staatshoofd zou aanbidden of zelfs verafgoden.

Na 1989 zijn we weer dichter in de buurt gekomen van een semipresidentieel stelsel. Václav Havel [1989-2003] was zo populair en had zoveel macht dat er aanvankelijk bijna niets aan zijn invloed ontsnapte. Gelukkig kwam die situatie al snel meer in balans. Hoewel Havel in het begin van de jaren 90 nog trachtte een grotere rol te gaan spelen ten koste van het parlement, zag hij zijn pogingen keer op keer – en volkomen terecht – stranden. Gelukkig voor Havel had hij Václav Klaus [2003-2013], een politicus voor wie hij weinig begrip kon opbrengen en met wie hij moest strijden om de macht.

Havel legde zich neer bij zijn nederlaag

Aangezien in Tsjechië niet de president maar de regering regeert, legde Havel zich al snel, hoewel tegen zijn zin, neer bij zijn nederlaag. Hij trok zich terug en nam de plaats in die hem ten deel was gevallen. Vanuit het perspectief van de grondwettelijke traditie was dat een goede zaak. Sterker nog, Havel deed zelfs een poging om de status van president minder heilig te maken. Hij wenste als eerste staatshoofd in Tsjechië een einde te maken aan de monarchale traditie. Het beste bewijs daarvan is de indrukwekkende documentaire Občan Havel [Burger Havel]](http://www.obcanhavel.cz/index.php?lang=english), waarin hij de makers toestond om ook zijn momenten van zwakheid en ijdelheid te filmen. Momenten die mensen over het algemeen zelf niet eens onder ogen willen zien, laat staan aan het grote publiek willen tonen.

In tegenstelling tot Havel had Klaus niet te maken met confrontaties met een sterke tegenstander. Niemand heeft ooit geprobeerd hem terug te duwen binnen de kaders zoals die zijn vastgelegd in de grondwet. Hij nam de besluiten over wie er werd benoemd en wie er moest aftreden in de regering. Hij sprak keer op keer zijn veto uit op wetsontwerpen en ageerde tegen de onafhankelijkheid van justitie. Hij had een sterke invloed op het Tsjechische buitenlandse beleid en ondernam stappen om te proberen bepaalde regeringen te laten vallen.

Tot zover de geschiedenis. Uit de verkiezing van een nieuwe president moet blijken of we een president willen die zich boven het systeem stelt of een die er deel van uitmaakt. De geschiedenis leert dat we een persoon moeten kiezen die de scheiding der machten respecteert, die zijn plaats kent in het constitutionele systeem en die zijn medeburgers niet het gevoel geeft een redder of een soort heilige alleenheerser op het politieke toneel te zijn.

Zeman voldoet niet aan de criteria

Hoe graag we het ook zouden willen, Miloš Zeman [favoriet in de peilingen en vroegere premier] voldoet aan geen enkele van deze criteria. Onder zijn regering [in de periode 1998-2002] was er nog veel meer systematische corruptie dan tegenwoordig. Zeman probeerde de democratische concurrentie te beperken en werd pas teruggefloten door het constitutionele hof. Vanwege de achteloze arrogantie waarmee hij Duitsers, Oostenrijkers en Slowaken beledigde, hadden we tijdens zijn regeerperiode bijzonder slechte betrekkingen met onze buren. Onder zijn leiding kreeg Tsjechië het etiket van lastigste en minst betrouwbare NAVO-partner. Bovendien schreef de EU in haar evaluatieverslagen [voor de toetreding van het land in 2004] dat bepaalde praktijken in Tsjechië niet verenigbaar waren met de democratie.

De eerste algemene en directe presidentsverkiezingen bieden een keur aan [interessante kandidaten] (http://volby.idnes.cz/prezidentske-volby-2013.aspx). En eigenlijk zijn het er te veel. Van al die kandidaten voldoen er namelijk maar twee aan de eerder genoemde criteria: Zuzana Roithová en Karel Schwarzenberg.

Iedere kiezer heeft zijn eigen favoriet, maar het zou natuurlijk erg jammer zijn als we deze unieke gelegenheid niet zouden benutten om de Tsjechische politiek een duwtje in de goede richting te geven.